Het boek Daniël

Daniël
Inleiding
W. Kelly

Inleiding

Hoofdstuk 1
Het moet iedere oplettende lezer duidelijk zijn, dat dit eerste hoofdstuk een voorwoord tot het Boek is. Daniël mag de uitlegger zijn of het middel waardoor de Geest van God de profetieën aan ons wil doorgeven. Het eigenlijke profetische deel van Daniël begint met hoofdstuk 2. Dan volgen bepaalde historische gebeurtenissen die heel nauw met de profetie te maken hebben, direkt of via typen. Ze tonen duidelijk het einde van de wereldmachten, of de zedelijke beginselen waarmee het Boek zich bezighoudt.

Twee hoofddelen in de profetie
Om Daniël te begrijpen is het nodig eraan te denken dat de profetie van het Oude Testament in twee grote delen kan worden verdeeld. Zo zijn er profetieën die te maken hebben met Israël, het volk van God, toen het onder Zijn regering leefde. Het volk was vaak ontrouw, maar toch onderworpen aan de tucht van God, terwijl het tot op zekere hoogte door Hem werd erkend. Jesaja, Jeremia, Ezechiël en veel van de kleine profeten, zoals Hosea, Amos en Micha, dragen dit eerste profetische karakter. Israël werd nog beschouwd als het volk van God. En als het al niet om het gehele volk ging, dan toch tenminste nog dat deel van het volk in het land, waarmee God nog bepaalde relaties had. Ik verwijs naar de stammen Juda en Benjamin, die het huis van David aanhingen. Na verloop van tijd vielen ook zij af, terwijl de koning, erfgenaam van David, de leider werd in een opstandige afgoderij tegen Jahweh.

Daarna volgt een uiterst belangrijke verandering, waarmee de tweede vorm van de profetieën te maken heeft. De troon van Jahweh, die in Jeruzalem stond, hield op aarde op te bestaan. God erkende daarna Israël niet langer als Zijn volk, zelfs Juda niet.

Het volk van God
Ik richt hierop in het bijzonder uw aandacht, omdat er vaak vage gedachten bestaan over wat de Schrift bedoelt met ”het volk van God”. Als christenen denken we vaak dat het volk van God bestaat uit diegenen die door het geloof in Christus God werkelijk toebehoren: Zijn kinderen. Nu bestaat het gevaar om op dezelfde manier aan het volk van God in het Oude Testament te denken. Maar als we de Schrift nauwkeurig onderzoeken zullen we zien dat met ”volk van God” in het Oude Testament alleen de Joden worden bedoeld, of het volk Israël. En dan gaat het niet om het geheel van alle uitverkorenen, maar om de gehele natie, of om dat deel dat in zekere mate nog trouw bleef aan de koning van God, hoewel vaak zeer ongelovig.

De tijd kwam, dat God Zijn volk niet langer erkende. Dat werd door Hosea voorzegd. En het werd vervuld, toen God de laatste koning van Juda overgaf aan de Chaldeeuwse overwinnaars. God zou Zijn eigen heiligheid, majesteit en waarheid hebben opgeofferd, als Hij de Joden en hun afgodische koning nog langer zou hebben verdragen.

Strijd om de wereldheerschappij
Het is in de wereldgeschiedenis opmerkelijk, dat God tot dat tijdstip aan geen enkele macht heeft toegestaan om de absolute superioriteit over alle rivalen te behalen, hoewel er in het Oosten bepaalde eerzuchtige machten van groeiende betekenis waren. In het Westen waren alleen doortrekkende benden of niet geciviliceerde barbaren die zich daar vestigden. Eén van die machten, Egypte, is bijzonder goed bekend. Een andere macht is Assur, die wat haar oorsprong betreft even oud is. Ja, we horen al over Assur en haar streven naar macht, voordat Egypte zover was. Dit waren de grote rivalen van de oude wereld, elk met een eigen beschaving. Wie de overblijfselen uit Egypte en Assur ziet, maar bevenal wie de Schrift gelooft, kan dit niet ontkennen. En deze machten streden doorlopend om de wereldheerschappij.

Maar hoewel God de Egyptenaren en de Assyriërs, of andere, minder belangrijke, machten kon gebruiken als tuchtroede voor Zijn volk Israël, stond Hij aan geen enkel volk op aarde de wereldheerschappij toe, vóórdat volkomen duidelijk wass geworden dat Zijn volk onwaardig was om Zijn getuigenis te zijn en het toneel van Zijn bestuur op aarde.

Efraïm en Juda
Eerst werd Efraïm (de tien stammen) weggevaagd, nadat het tot hopeloze afgoderij was vervallen. Koning na koning volhardde in het kwaad of overtrof daarin zijn voorganger. En voortdurend was Efraïm het toneel van opstand en afgoderij. Daarom moest God dit volk, dat Hem alleen maar onteerd had, uitroeien uit het land waarin Hij hen had gepland.

De twee stammen, die aan het huis van David trouw waren gebleven, werden door Hem nog erkend. Maar er hingen donkere wolken boven hen, terwijl door de vijand fatale valstrikken werden gelegd. In deze crisissituatie kwam de profetie in al haar kracht naar voren. Want profetie veronderstelt, naar ik meen, altijd falen. De profetie begint nooit in een normale toestand. Maar wanneer het verval voor de deur staatof is begonnen, schijnt de lamp van de profetie in de duistere plaats. We zien in de Bijbel dat dit vanaf het begin waar is geweest.

God sprak tegen de slang
Neem bijvoorbeeld de openbaring die in Genesis 3 wordt genoemd, dat het zaad van de vrouw de kop van de slang zal vermorzelen. Wanneer werd dat gezegd? Niet toen Adam zondeloos wandelde, maar nadat hij en zijn vrouw waren gevallen. Toen verscheen God en Zijn woord oordeelde niet alleen de slang, maar nam de vorm van een belofte aan. Een belofte die werkelijkheid zou worden in het ware Zaad, de Heere Jezus. Dit is zeker een gezegende onthulling van de toekomst en zij die geloofden hadden hierop hun hoop gevestigd. Het was de veroordeling van hun feitelijke toestand, maar het liet de gelovigen die volgden niet in wanhoop verzinken. Boven het verval uit werd hun door God een Voorwerp aangeboden, waarnaar hun harten uitgingen.

Henoch profeteerde het oordeel
Verder heeft Henoch, de zevende vanaf Adam, in die tijd geprofeteerd, meer dan alle anderen, hoewel we daarover pas lezen in één van de laatste Boeken van het Nieuwe Testament: ”Zie, de Heere is gekomen temidden van Zijn heilige tienduizenden, om oordeel uit te oefenen tegen allen en elke ziel te bestraffen om al hun werken van goddeloosheid die zij goddeloos bedreven hebben, en om alle harde woorden die goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben” (Judas:14 en 15).

Toen het kwaad, in de kiem biju Adam gevonden, uitgebroken was in algemene verdorvenheid en geweld, kwam er een goed omschreven profetie van oordeel over de wereld. God kwam in getuigenis tussenbeide, voordat Hij in macht handelde.

Noach en het oordeel van de zondvloed
Nog meer dan Henoch was Noach met deze boze toestand verbonden. Ik geloof dat de profetie van Henoch opmerkelijk van toepassing was op de zondvloed, hoewel ze natuurlijk verder ziet, naar de grote katastrofe in de laatste dagen. Wanneer een profetie wordt uitgesproken is er vaak een gedeelteleijke vervulling in de tijd van de profeet of spoedig erna. Maar we moeten nooit denken dat de belofte in het verleden geheel vervuld is. Dan zouden we een eigen uitlegging aan de Schrift geven. ”Weet dit eerst, dat geen profetie van de Schrift een eigen uitlegging heeft” (2 Petr. 1:20). We moeten de uitleg altijd zien in het uitgebreide kader van de plannen van God en de ontvouwing van Zijn raadsbesluiten, die alleen in Christus, aan het einde, hun voleinding vinden. Naar dit grote Middelpunt wijzen alle profetieën. Dan alleen hebben we de grote vervulling.

De aartsvaders in een tijd van afgoderij
De aartsvaders worden uitdrukkelijk profeten genoemd: ”Hij liet niemand toe hun te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende: Tast Mijn gezalfden niet aan en doet mijn profeten geen kwaad” (1 Kron. 16:21,22; Ps. 105:14 en 15). Dat zij zo worden genoemd kan met hetzelfde beginsel worden verklaard. Zij waren in hun tijd de vertolkers van de gedachten van God, omdat er een nieuw en vreselijk kwaad in de wereld was gekomen, waarover we niet lezen vóór de dagen van Abraham, namelijk afgoderij. Pas na de zondvloed is er in de Schrift sprake van aanbidding van afgoden. Die afgoderij werd overal verspreid en werd onder de afstammelingen van Sem zelfs overheersend.Daarom riep God de aartsvaders, die in woord en daad van dit schandelijke kwaad waren afgezonderd. Een profeet of profetie veronderstelt altijd de aanwezigheid van nieuw en toenemend kwaad. En het behaagde God om Zijn gedachten met betrekking tot de toekomst op deze menier te ontvouwen en zo van praktische waarde te maken voor diegenen die op dat ogenblik op aarde zijn.

Mozes en het gouden kalf
Mozes wordt ook een profeet genoemd. Dit is opvallend, want hoewel er iets nieuws was begonnen en hij de middelaar van de wet was, werd toch bijna onmiddelijk daarna het gouden kalf opgericht. Zo was het verval van Israël, als volk onder de wet, al direkt begonnen. Daarom had Mozes als taak, om als de grote profeet van Israël (Deut. 34:10) het ware, groeiende verderf van het volk te openbaren, hoe groot de bronnen van Gods genade tenslotte ook mochten zijn. En Mozes had op een eerder tijdstiphet onvermijdelijke oordeel van God over Egypte al voorzegd.

Samuël
Gaan we verder in de geschiedenis van het volk Israël, dan zien we Samuël, met wie de lijn van de nadrukkelijk zo genoemde profeten begint: ”En ook alle profeten, van Samuël en zijn opvolgers af...” (Hand. 3:24). Zijn roeping kwam tijdens een zeer kritieke periode in de geschiedenis van Israël, toen de Israëlieten tot zo’n vreselijke lage toestand waren vervallen, dat ze bereid waren om de ark van God te gebruiken als een tovermiddel, om hen voor de macht van de vijanden te beschermen. Dat kon God niet toelaten. De heielige ark werd buitgemaakt, en Ikabod was de enige naam die door het godvruchtige gevoel werd ingegeven: ”De eer is weggevoerd uit Israël” (1 Sam. 4:21). Juist in die periode horen we over Samuël, de profeet. Dit was het teken van een nieuwe crisis, maar het toonde evenzeer hoe God Zijn eigen Naam verdedigde en het licht van de profetie invoerde, om die harten te troosten die Zijn partij kozen.

Jesaja
Gaan we nog verder, dan vinden we de volledige uitstraling van profetisch licht in de tijd van de profeet Jesaja. De reden is duidelijk. Israël had niet alleen zelf afgoderij begaan, maar de koning, zoon van David, had zelfs een afbeelding van het heidense altaar te Damaskus naar Jeruzalem gestuurd, om in de heilige stad voor zichzelf precies zo’n altaar te laten maken! (2 Koningen 16). Het was een afschuwelijke, uiterst beledigende zonde voor God.

In die periode werd Jesaja met ongebruikelijke plechtigheid voor de profetische dienst afgezonderd (Jesaja 6). Hem werd de slechte toestand van het joodse volk voorgesteld en hij zag de heerlijkheid van de Heere, wat bij hem de onmiddelijke belijdenis van de onreinheid van zichzelf en van het volk ontlokte: ”Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heerscharen gezien” (Jes. 6:5). Maar één van de serafsraakte met een gloeidende kool zijn lippen aan en verzekerde hem, dat zijn ongerechtigheid was weggenomen en zijn zonde was verzoend.

Daarna werd hij met een boodschap van oordeel gezonden. Er zou duisternis over het volk komen, die zou duren tot de steden waren verwoest en het land geheel was verlaten. De profetie schitterde des te meer, naarmate het kwaad duidelijker en grover werd. Het gevolg van de profetische waarschuwing, daar waar ze werd aangenomen, was een oprechte geest van berouw en voorbede. En God gaf daaropvolgend een koninklijke getuige voor Zichzelf, zodat het oordeel een tijdlang werd uitgesteld. Zo kwam de profetie steeds duidelijker naar voren en richtte de harten van de gelovigen naar Degene die door de maagd ontvangen zou worden: de Zoon van David, Emmanuël, Die voor het volk het enig ware, in Sion gelegde, fundament zou zijn.

Ik hoef geen verdere schets te geven van de verschillende kenmerken van de profeten die op Jesaja volgden. Ik vertrouw erop dat het grote principe duidelijk is, dat profetie in het algemeen naar voren komt wanneer er onder het volk van God verval is ingetreden. Naarmate het verval groter wordt, brengt de profetie door de goedheid van God nieuw licht.

De tweede profetische vorm
Wat we tot nu toe overdacht hebben handelt over de eerste vorm van profetie, in de periode dat God het volk tuchtigt en nog als Zijn volk erkent. Van de tweede vorm waarin de profetie tot ons komt, is Daniël in het Oude Testament het grote voorbeeld. Die tweede vorm treedt op alss God niet langer in staat is om Zijn volk als zodanig toe te spreken. Dan maakt Hij de enkeling tot het voorwerp van Zijn mededelingen. Want dat is het duidelijke kenmerk van Daniël. God richt Zich niet langer mrechtstreeks tot het volk, om te beredeneren, te pleiten, te waarschuwen of de schitterende hoop te ontvouwen, zoals in Jesaja of andere profeten. Ook gaat het niet meer, zoals bij Jeremia, om een profeet die zich met de aandoenlijkste smekingen tot Israël of Juda richt, of tenminste tot het overblijfsel ervan.

Bij Daniël is alles veranderd. Er is helemaal geen boodschap meer aan Israël. De eerste en zeer uitgebreide profetie van dit Boek werd niet eens rechtstreeks aan Daniël gegeven, maar was zelfs een droom van de heidense koning Nebukadnezar, hoewel Daniël de enige was die die droom weer voor de geest kon roepen of de verklaring ervan kon verschaffen. De latere gezichten werden alleen door Daniël gezien en hem werden al de verklaringen gegeven.

De les
Wat is de grote les die we hieruit moeten trekken? Dat God handelde naar het gewichtige feit dat Zijn volk haar plaats had verbeurd - tenminste voor de tegenwoordige tijd. Israël had haar duidelijke positie als volk verloren - God wilde het niet langer erkennen. Het goddelijke oordell zou niet worden tegengehouden door de aanwezigheid van de uitverkorenen onder het volk. Het was geen kwestie van ”tien rechtvaardigen in hun midden” (Gen. 18:32). Voor een verdorven Kanaänitische stad, zoals Sodom, kon dat als reden worden aangevoerd om de stad te sparen. Maar spreekt God ooit zo over Zijn volk? Hij kan het met Sodom vergelijken vanwege haar ongerechtigheid, maar er kan in dit geval geen verhindering zijn om het oordeel uit te voeren. Integendeel, er wordt in Ezech. 14:14 en 16 uitdrukkelijk gezegd dat Noach, Daniël of Job, als ze in het midden van het land Israël zouden zijn, door hun gerechtigheid alleen hun eigen ziel zouden bevrijden, maar geen zonen of dochters zouden bevrijden. Dat wil zeggen, dat in zijn eigen land, en temidden van zijn eigen volk alleen de rechtvaardige zou worden bevrijd. Over de anderen, het deed er niet toe wie dat waren, noch wat hun rechtvaardigheid was, zouden Gods vier noze gerichten worden gezonden (Ezech. 14:21). Hoe groot Zijn bereidwilligheid ook mag zijn om de wereld te sparen, God laat Zich, vanwege een handjevol rechtvaardige mensen die in haar midden is, niet weerhouden om het kwaad van Zijn eigen volk te oordelen. Anders had er helemaal nooit een nationaal oordeel over Israël kunnen komen, want er was altijd een rij van getrouwen onder het volk.

”Hoort dit woord, dat de Heere tegen u spreekt, gij kinderen van Israël, namelijk tegen het ganse geslacht, dat Ik uit Egypteland heb opggevoerd, zeggende: Uit alle geslachten van de aardbodem heb Ik u alleen gekend; daarom zal ik al uw ongerechtigheden over u bezoeken” (Amos 3:1,2).

In een boek dat ik onlangs aantrof, werd dit foute principe als argument gebruikt, om te bewijzen dat Engeland betrekkelijk ongedeerd uit de vreselijke oordelen zou komen, die op het punt staan over de volken los te barsten. Er werd beweerd dat er In Engeland zoveel goede mensen zijn - zoveel veranderingen ten goede bij hoog en laag - zulke weldadige instellingen - de Schrift wordt er niet alleen overvloedig gedrukt, maar ook overal verspreid, gelezen en verklaard. Maar dit zijn, naar mijn mening, juist de gronden die Goddelijk oordeel onvermijdelijk maken. Want het is uit de Schrift heel duidelijk, dat, zo er al enig verschil in maatstaf is, zij die Zijn wil kennen en niet doen, met vele slagen geslagen zullen worden. Men kan zich nauwelijks een verschrikkelijker illusie voorstellen, dan dat het bezit van grotere geestelijke kennis en voorrechten een doeltreffende bescherming zou zijn als de aarde geoordeeld wordt.

Voorrecht en verantwoordelijkheid
De Heere herinnerde aan Tyrus en Sidon (Mattheüs 11), maar dat was enkel om de veel grotere schuld aan te tonen van de steden waarin Hij de meeste van Zijn machtige werken had verricht: ”Wee u, Chorazin, wee u Bethsaïda, want als in Tyrus en Sidon de krachten waren gebeurd die in u zijn gebeurd, allang zouden zij zich in zak en as hebben bekeerd. I zeg u evenwel: het zal voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn in de dag van het oordeel dan voor u” (Matt. 11:21,22). En Hij noemde een andere, nog meer begunstigde stad (ergens anders Zijn eigen stad genoemd) (Matt. 9:1), omdat Hij daar gewoonlijk woonde) die nog veel schuldiger was: ”En u, Kapernaüm, zult u soms tot de hemel verhoogd worden? Tor de hades zult u worden neergestoten! Want als in Sodom de krachten waren gebeurd die in u zijn gebeurd, het zou tot op heden zijn gebleven. Ik zeg u evenwel, dat het voor het land van Sodom draaglijker zal zijn in de dag van het oordeel dan voor u” (Matt. 11:23,24). Dus de mate van het voorrecht is altijd de mate van de verantwoordelijkheid.

Niet Mijn volk
Wij hebben dus het ontstellende feit gezien, dat de regering die God in Israël had opgericht (vergezeld van het zichtbare teken van Zijn tegenwoordigheid, de Schechina van de heerlijkheid - de wolk) nu niet meer kon bestaan. God erkende het volk niet meer als Zijn volk. Voortaan was het ”Lo-Ammi” (niet Mijn volk). Dat was haar lot nu, voor zover het God betrof, wat ook de uiteindelijke tekenen van Zijn genade mogen zijn, want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk (Rom. 11:29).

Daniël en de Openbaring
Met deze droevige verandering en afhankelijk daarvan, begint de profetie van Daniël en in dit opzicht is er een sterke overeenkomst tussen dit boek en de grote profetie van het Nieuwe Testament: de Openbaring. Ongetwijfeld werden er in de Openbaring speeciale boodschappen aan de zeven gemeenten gezonden. Maar het Boek als geheelwas aan Johannes gericht en tot hem beperkt, hoezeer het ook de bedoeling was dat de dingen van de profetie in de gemeenten zouden worden betuigd. Christus kondigde de openbaringen aan door Zijn engel en zond ze aan Zijn slaaf Johannes, die in een soortgelijke verhouding tot het christendom stond als Daniël tot Israël. Het falen was in beide gevallen zo volledig, dat God Zich door de profetie niet langer direkt tot Zijn volk kon richten.

Er is in de Openbaring sprake van een ernstig moreel oordeel van God over de toestand van het christendom. Het praktische getuigenis voor God was een puinhoop: Efeze werd met het wegnemen van de kandelaar bedreigd, als ze geen berouw had en Laodicea met de zekerheid dat het uit de mond van de Heere zou worden gespuwd. God ging door met het redden van zielen; dat deed en doet Hij altijd. Maar het heeft niets te maken met het getuigenis dat Zijn volk behoort af te leggen.

Nog steeds ”Lo-Ammi”
Meer dan tweehonderd jaar nada Juda ”Lo-Ammi” was geworden, kon Maleachi spreken over degenen die de Heere vreesden, die vaak met elkaar spraken: ”En zij zullen, zegt de Heere der heerscharen, te dien dage, die Ik maken zal, Mij een eigendom zijn; en Ik zal hen sparen, zoals een man zijn zoon spaart, die hem dient” (Mal. 3:17). Dit alles mocht waar zijn, toch bleef het ernstige vonnis van God op het volk rusten: ”niet Mijn volk”. De omstandigheden konden noch Zijn oordeel over de natie, noch Zijn genade voor getrouwe zielen onder hen aantasten.

En wat toen waar was, blijft nu ook waar. De redding en het zegenen van de zielen gaat door, maar voor God is dat, wat in de wereld de naam van Christus draagt, even ver verwijderd van het bevredigen van Gods gedachten in ons, als het volk van Israël dat was in het vervullen van Zijn plan in hen. Daarom vinden we, dat het karakter van het Boek Daniël volmaakt in overeenstemming is met de tijd en de omstandigheden waarin Daniël geroepen werd tot profeet. Dat was, toen de laatste overblijfselen van Gods volk werden weggenomen.

Tijdrekening
In Jer. 25:1 wordt het eerste jaar van Nebukadnezar gerekend vanaf de eerste aanval. Er is een klein verschil met dat wat er in Daniël 2 gezegd wordt. In Babel, waar Daniël schreef, werd natuurlijk gerekend vanaf het tijdstip dat Nebukadnezar op de troon zat, na de dood van zijn vader, terwijl het in Jeruzalem, waar Jeremia profeteerde, even natuurlijk was om te rekenen vanaf het tijdstip dat Nebukadnezar, nog gedurende het leven van zijn vader, de macht over het koninkrijk uitoefende, tot aan de ondergang van de JOden en Jeruzalem.

Zo’n manier van rekenen is niet ongewoon, zowel in de gewijde als in d3e ongewijde geschiedenis. Wat ook de moeilijkheden in het Woord van God zijn, zij komen in werkelijkheid voort uit gebrek aan licht. In het algemeen wordt het doel van het bijzondere gedeelte waar de problemen voorkomen vaak niet begrepen.

Als we over datums spreken, is het goed om nog een ander puntje in gedachten te houden, waartoe het eerste vers van Daniël 1, vergeleken met Jer. 25:1, aanleiding geeft: jaren worden soms gerekend vanaf het begin, soms vanaf het einde. Zo is het ook met de welbekende voorbeelden van het aantal dagen tussen de dood en de opstanding van onze Heere en met de zes óf acht dagen vóór de verheerlijking op de berg (Matt. 17:2; Mark. 9:2; Luk. 9:28). Zo werd in Daniël gezegd: ”In het derde jaar van Jojakim”, maar in Jeremia: ”In het vierde jaar van Jojakim”. In het ene geval ging het over het voltallige jaar, in het andere geval om het gangbare jaar.

Geen onmiddellijk bestuur van God op aarde meer
We bekijken nu het morele karakter van Daniëls profetie. De sleutel tot de wegen van God hier is, dat Hij niet langer een direkt of onmiddellijk bestuur op aarde kon uitoefenen. Hij had David en zijn nakomelingen erkend als de koningen die Hij op de troon van Jahweh te Jeruzalem had gezet (1 Kron. 29:23). Geen andere koningen werden zo door God erkend. Zij waren uitdrukkelijk Zijn gezalfden, voor wie zelfs de hogepriester moest wandelen.

Het was Gods bedoeling dat zij een voorafschaduwing zouden zijn van wat Hij straks gaat doen in de Christus, de ware Zoon van David. Door de hele Schrift loopt dezelfde draad. Eerst wordt iets aan de verantwoordelijkheid van de mens toevertrouwd en hij faalt onmiddellijk; daarna wordt de draad door Christus opgenomen, gebaseerd op een onwankelbare grondslag.

Heerschappij in het paradijs
God maakte de mens en plaatste hem zondeloos in de hof, terwijl hij de heerschappij kreeg over de lagere schepping. De mens viel direkt. Maar God gaf Zijn bedoeling, een mens in het paradijs, nooit op. Waar vinden we Gods oplossing? Bij de eerste Adam mislukte het volkomen. Hij werd uit de hof van Eden gezet. Zijn geslacht werd, vanaf die dag tot nu toe, verworpen en alle inspanningen van de mens en de materiële vooruitgang die de mens in deze wereld boekt, zijn slechts even zovele herstelmaatregelen om het feit te bedekken, dat God hem uit het paradijs heeft verdreven. Maar de laatste Adam is Gods heerlijk antwoord, om het eerste pand dat aan de mens was toevertrouwd te behouden. De Heere Jezus is de tweede Mens, verhoogd in het paradijs van God.

Bestuur op aarde
Met Noach begon de wereld na de zondvloed als het ware opnieuw. Aan hem werd voor het eerst ordebrengend bestuur (tot de doodstraf toe) toevertrouwd. Het zwaard van de overheid werd geïntroduceerd: ”Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt” (Gen. 9:6). Hier ging het om de basis van het civiele bestuur en de mens was voortaan verantwoordelijk om het geweld te weerstaan en te bestraffen. Deze verantwoordelijkheid is nooit herroepen. Het Christendom voert andere, hemelse principes in, maar de wereld blijft wat haar leiding betreft gebonden aan deze onveranderlijke instelling van God.

Noach faalde echter in zijn opdracht, zoals Adam faalde in de hof. Noach bestuurde noch zichzelf noch zijn familie tot eer van God. Hij werd dronken en zijn jongste zoon beledigde hem. Het gevolg was, dat er, in plaats van de universele zegen van een rechtvaardig bestuur, een vloek kwam over een deel van zijn afstammelingen.

De koning
Later werd het principe van een verantwoordelijke koning beproefd met het huis van David. Zij zouden rechtvaardig moeten regeren over het volk van God. Maar wat gebeurde er? Al vóórdat David stierf was er zo’n vreselijke zonde begaan, dat het zwaard nooit zou wijken van de familie die de zegen voor Israël veilig had moeten stellen. Maar gaf God daarom Zijn bedoelingen prijs? Nee, zeker niet. De Heere Jezus neemt het hoofdschap, het bestuur en de troon van David op. En zo gaat het met alle andere beginselen die in handen van de mens mislukken: alles zal voor altijd in de Persoon van de verheerlijkte Heere worden getoond en bevestigd.

Jeruzalem het eerst geoordeeld
De troon van Jahweh kon tenslotte niet meer in Jeruzalem zijn. Jeremia laat ons zien dat de heilige, meest bevoorrechte, stad de eerste zou zijn die de beker van Gods toorn zou moeten drinken. Babel zou die beker ook moeten drinken, maar Jeruzalem eerst. In hetzelfde hoofdstuk (Jeremia 25) hebben we een duidelijke voorzegging van de zeventigjarige ballingschap van Juda in Babel. Aan het einde van die zeventig jaar zou het oordeel over Babel komen, de macht die Juda gevangen nam.

Drie grote machten
Jeremia voorzegde de opkomende heerschappij van Babel en haar uiteindelijke oordeel (niet alleen als geschiedkundig feit, maar als beeld van de ondergang van de wereld in de dag van de Heere), maar we vinden bij hem geen verdere details. Ezechiël brengt ons in het eerste gedeelte van zijn profetie onder de ballingen te Kebar. Hij spreekt over de grote strijd tussen de wereldmachten, om de voornaamste plaats in de wereld te krijgen. Farao Necho, koning van Egypte, wilde de belangrijkste zijn, maar werd vernietigd, evenals de Assyriër vóór hem. Babel bleef eerzuchtig aanspraak maken op de algehele heerschappij.

Er waren destijds drie grote machten: Assyrië, Egypte en Babel. Babel was als groot koninkrijk betrekkelijk jong, hoewel mogelijk gebaseerd op de oudste macht die in de Bijbel beschreven wordt: ”Het beginsel van Nimrods rijk was Babel” (Gen. 10:10). Deze machten waren net trotse dieren, in bedwang gehouden door een onzichtbare teugel, totdat Gods experiment geheel en al was beproefd: zou de dochter van Sion nederig en in gehoorzaamheid aan de Heere wandelen? Zou ze terugkeren van haar afvalligheid en zich op Gods oproep bekeren? De dochter van Sion gehoorzaamde niet. Zo opende God de weg voor een universeel rijk, iets wat tevoren niet was voorgekomen.

Israël het middelpunt
Na de zondvloed en het oordeel van de Heere over Babel, vond de grote volkerenspreiding plaats: families, verwantschappen, talen en onafhankelijke naties ontstonden. Zo staat het ook in Deut. 32:8 : ”Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij de grenzen der volken vastgesteld naar het getal van de kinderen Israëls”. Alles had met Israël te maken, ”want des Heeren deel is Zijn volk, Jakob is het snoer van zijn erfenis”. Zij waren op aarde het goddelijke middelpunt. God werd volkomen teleurgesteld door de goddeloosheid van Zijn volk, maar toch zal Israël het middelpunt van de volken in deze wereld zijn, omdat de Heere het heeft beloofd. God zal Zijn plan tot stand brengen in de Heere Jezus Christus.

Falen onder de wet
Bij de Sinaï nam Israël de verantwoordelijkheid van de wet op zich. Zij wilden God gehoorzamen. Toen zij die voorwaarde aannamen, werd de wet hun gesel en moest God hen oordelen. Mensen faalden, priesters faalden, koningen werden de leiders in het kwaad. God werd gedwongen om Zijn volk op te geven. Wanneer een zondaar denkt op de grondslag van de wet voor God te kunnen bestaan, is hij verloren. De enige, veilige en nederige grondslag is, niet wat Israël voor God wilde zijn, maar wat God in trouw, liefde en medelijden voor Israël zou zijn. En dat geldt voor iedereen.

Strijd om de wereldheerschappij
Vanaf het moment dat God Zijn volk opgaf, was alles wat de volken op aarde in bedwang hield weggenomen en streden de reusachtige dynastieën om de wereldheerschappij. God had niet langer een volk dat Hij als het Zijne erkende, waar Hij regeerde. Als zij zich tot Hem had bekeerd, zoals een kompasnaald, ondanks heen en weer schudden, naar de pool terugkeert, zou er genade zijn geweest, zoals dat steeds het geval was. Dan zou God in Zijn macht tussenbeide zijn gekomen om hen voor altijd te bevestigen. Maar toen niet alleen het volk, maar ook de door Jahweh gezalfde koning Gods Naam in het land uitroeide en Gods heerlijkheid in Zijn eigen tempel aan andere goden werd gegeven, was voor de tegenwoordige tijd alles voorbij. ”Lo-Ammi” was het oordeel van God. Zij waren in hun afgoderij tot het uiterste gegaan, en waren afgevallen van de levende God. Indien zij gehandhaafd waren zouden zij de aktieve kampioenen van heidense gruwelen zijn geweest. Daarom ging het volk met zijn koning door Gods oordeel tenslotte in gevangenschap.

De tijden van de volken
In deze crisistijd verscheen Daniël aan het hof van de Babylonische monarch, overeenkomstig het onfeilbare woord van Jesaja tot koning Hizkia (Jesaja 39). ”De tijden van de volken” (Luk. 21:24) was begonnen, en van deze tijden was Daniël de profeet. Die tijden zullen niet altijd doorgaan; ze hebben een door God vastgestelde duur en eindigen wanneer de tegenwoordige onderbreking van Zijn direkt aards bestuur zal ophouden en Israël opnieuw erkend zal worden als het volk van God. Gedurende deze tussentijd, staat God in Zijn voorzienigheid een nieuw systeem toe: de wereldheerschappij berust bij de grote opéénvolgende volkerenmachten. Het gaat niet langer om onafhankelijke volken, die ieder hun eigen koning hebben, maar God Zelf maakt, in Zijn voorzienigheid, dat alle naties van de aarde onder het gezag van één enkele persoon komen. Dit karakteriseert ”de tijden van de volken”. Zoiets was tevoren nooit gebeurd, hoewel er sterke koninkrijken zullen zijn geweest die zwakkere onderwierpen. Zelfs de ongelovige historicus moet erkennen dat er in de oude wereld vier grote rijken zijn geweest.

De God van de hemel
Israël ging vanaf nu op in de massa van de volken. Vanaf dat ogenblik lezen wij over ”De God van de hemel”. Hij had Zich als het ware teruggetrokken uit de onmiddellijke controle over de aarde, in welk karakter, tenminste in type, Hij Israël had bestuurd. Dit was nu geheel verdwenen. God handelde als ”de God van de hemel” soeverein en als het ware op een afstand van het toneel. Hij gaf bepaalde volkerenmachten gelegenheid om elkaar in een wereldwijd rijk op te volgen.

Morele kenmerken
Vóórdat ik deze inleidende opmerkingen afsluit, voeg ik er een paar woorden aan toe over de grote morele kenmerken van Daniël 1, want zij worden in de persoon van Daniël in het oog vallend tot uitdrukking gebracht. En deze dingen werden niet alleen terwille van hem, maar ook terwille van ons geschreven. Laten wij ze overdenken, als wij dezelfde zegen wensen.

(c) copyright Uit het Woord der Waarheid, Winschoten, januari ’87
Met toestemming overgenomen voor electronische distributie door Bijbelstudie-BBS

Terug naar document-overzicht
Dit artikel wordt u aangeboden door Het BijbelArchief.
Mocht u vragen en/of opmerkingen hebben over dit artikel kunt u contact opnemen met de aanbieder.

The Davidic Covenant in Acts-Revelation

Lees meer

Openbaring 15 & 16

Lees meer

Waarom Baptisten geen Protestanten zijn.

Lees meer

Nehemia 06

Lees meer

Ontstaan van de Islam

Lees meer