Op één plaats samenkomen (3)

Op één plaats samenkomen

De gelovigen in Korinthe hadden de gewoonte om regelmatig bij elkaar te komen. Ieder wist waar. Daar kwamen ze als gemeente bij elkaar. Niet om zomaar gezellig bij elkaar te zijn, maar in de naam van de Heer Jezus, onder Zijn gezag. Ze kwamen omdat ze deze gewoonte hadden of omdat het zo afgesproken was. Als gemeente samenkomen betekent onder andere dat ieder in principe rekening wil houden met de leiding van de Geest van God en de wil van de Heer Jezus, ondanks onze zwakheid in het praktisch verwerkelijken van de leiding van Gods Geest.

Het samenkomen gebeurde in de eenheid van het lichaam van Christus. In de praktijk bijvoorbeeld door het aanvaarden van aanbevelingsbrieven van andere gemeenten over een gelovige die bij hen kwam vanuit die gemeente. Gelovigen in andere plaatsen erkenden deze eenheid van het lichaam van Christus, de eenheid van de gelovigen in Korinthe met Christus en met hen. Dit laat zien dat wij niet zo maar, één of twee keer in onze vakantie, op een camping als gemeente bij elkaar kunnen komen met gelovigen uit allerlei groepen, om daar het avondmaal te vieren. Het vieren van het avondmaal moet gebeuren in eenheid met de anderen die ook deze plaats rondom de Heer Jezus innemen. Alleen in Zijn tegenwoordigheid kunnen we het avondmaal op de juiste wijze vieren. En veel gelovigen erkennen in de praktijk van hun leven wel het gezag van de Heer Jezus over hun dagelijkse leven, maar houden geen rekening met Zijn gezag in het gemeenschappelijk samenkomen. Dan speelt plotseling de traditie een grote rol.

Als wij naar een camping of vakantieverblijf gaan, kijken we dan van tevoren of we in de buurt gelovigen kunnen aantreffen die ook zo samenkomen als de Heer Jezus dat zo graag wil? Houden we ook rekening met het gemeenschappelijk bidden, vaak op een avond door de week?

Het avondmaal van de Heer

De woorden ”van de Heer” zijn in het Grieks één woord, dat verder alleen nog voorkomt in Openb. 1: 10 in de uitdrukking ”de dag van de Heer”. Dit woord legt er de nadruk op dat het avondmaal de Heer toebehoort en dat de dag (zondag) Hem bijzonder toebehoort, omdat Hij toen opstond uit de dood. Daarom is voor gelovigen de zondag toch een andere dag dan de andere dagen van de week. Houden we daar rekening mee?

Als we bij elkaar komen om brood te breken moeten we eraan denken, dat de maaltijd niet van onszelf is, maar van de Heer. Hij bepaalt het karakter van deze maaltijd. Dat blijkt ook uit de woorden: ”Dit is Mijn lichaam” en: ”Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed”.

Het was een echte maaltijd. Daarom hoeven we ons niet te schamen om een flink stuk brood af te breken en te eten. Het hoeft geen klein stukje te zijn dat je nauwelijks kunt zien.

Beschamen of prijzen?

God beschaamt de wijzen van de wereld door het dwaze van de wereld uit te kiezen en Hij beschaamt het sterke door het zwakke van de wereld uit te kiezen. In zo’n gezelschap verkeren we. Dat hadden de Korinthiërs ervaren, want er waren niet veel wijzen naar het vlees tot bekering gekomen en niet vele machtigen. Toch maakten ze in hun midden onderscheid tussen rijk en arm, want de armen werden beschaamd gemaakt. Terwijl God juist het verachte van de wereld had uitgekozen en in hun midden geplaatst, gingen zij de gemeente van God verachten door hun eigen maaltijd te eten inplaats van er aan te denken dat de maaltijd de Heer toebehoort. Hij is de Gastheer. Tot hun schaamte moet de apostel hen zeggen dat hij hen in dit opzicht niet kan prijzen, Hij wil het wel, omdat hij hen liefheeft, maar kan het onmogelijk om hun toestand. Ook het vermanen gebeurde door de apostel uit pure liefde.

In de nacht waarin Hij werd overgeleverd

We hebben al gezien dat het eten van brood en het drinken van wijn in de samenkomst niet automatisch betekent dat het avondmaal van de Heer gevierd wordt, want de gelovigen in Korinthe aten ieder hun eigen avondmaal. In vers 23 moet de apostel hen opnieuw duidelijk maken dat de Heer Jezus brood nam en aan de Zijnen gaf. Hij zegt niet: ”Jullie moeten zo of zo doen”, maar: ”ik heb van de Heer Jezus ontvangen”. Geen wet, maar woorden die spreken tot ons hart. En wanneer nam de Heer dit brood? In de nacht waarin Hij werd overgeleverd. Dat mag ons hart aanspreken. Denk er maar eens over na. Het was in diezelfde nacht, waarin Hij werd overgeleverd in de handen van vijanden en zondaren, om het werk aan het kruis te volbrengen. Wie is Hij, Die dat voor mij wilde doen! Hij dacht niet aan Zichzelf, maar aan de Zijnen. Dat brengt dank in ons hart. Het ging bij deze maaltijd om het eten, maar verbonden met lof aan Hem Die voor ons stierf. We mogen het doen tot Zijn gedachtenis. Wij zijn priesters die voor het aangezicht van God mogen verschijnen. De dank en aanbidding van onze harten zal in het midden van de Zijnen ook tot uitdrukking worden gebracht. Vandaar dat we liederen zingen, gebeden uitspreken, wat voorlezen uit de Schrift of uit een lied. God ziet zo graag dat wij Hem iets brengen. Maar daarover later meer.

Het nieuwe verbond in Mijn bloed

Op grond van het bloed van de Heer Jezus zal God straks met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten, door Zijn wetten in hun verstand te geven en in hun harten te schrijven. Hij zal hun tot een God zijn en zij zullen Hem tot een volk zijn. Dan zullen zij Hem kennen, want Hij zal hun zonden en wetteloosheden geenszins meer gedenken (Hebr. 8:8-12). Met ons, gelovigen uit de volken, sluit God geen nieuw verbond, want er was met ons ook geen oud verbond. Maar dezelfde zegen (en nog veel meer) die Israël straks zal genieten, mogen wij nu al kennen. Op grond van het bloed van de Heer Jezus, op Golgotha gestort, gedenkt God nu onze zonden al niet meer en zijn wij Zijn volk. Op grond van het werk van de Heer Jezus is Hij onze God en Vader. En Hij gaf ons Zijn Heilige Geest, door Wie wij alle dingen weten (1 Joh. 2:20), hoe jong we ook nog zijn in het geloof en hoeveel we ook nog moeten leren. Wij kennen de waarde van het bloed van Christus, dat de basis is van alle zegeningen die God ons geeft, want wij hebben de inwoning van de Heilige Geest. Wij hoeven niet te wachten tot het vrederijk.

Doen tot Mijn gedachtenis

Het heeft mij vaak getroost, dat de Heer niet gevraagd heeft om Hem te gedenken, maar gevraagd heeft om iets te doen tot Zijn gedachtenis. Als mijn gedachten in de samenkomst afdwaalden en mijn hart niet warm was en ik toch graag aan Hem wilde denken, maar het steeds weer mis ging, kon het mij troosten dat er staat: ”Doet dit”. Ook al dwalen wij in gedachten vaak af, doen kunnen we wel iets. Eten en drinken tot Zijn gedachtenis. En de Heilige Geest wil ons helpen om dit afdwalen van onze gedachten te veroordelen, om zo weer aan de Heer te kunnen denken. Soms kunnen onze gedachten ook meer gericht zijn op het valse of mooie zingen, op de broeder die geen passend lied opgeeft (volgens ons althans) of op de broeder die te druk is enz. Ondanks onze zwakheid wil de Heer dat we het brood breken en eten tot Zijn gedachtenis. Dat kunnen we altijd als we onszelf geoordeeld hebben in het licht van God. De Heer vraagt van ons de daad. Later hopen we te zien dat ook de priesterdienst van de gelovige belangrijk is, maar die komt hier in Korinthe niet op de voorgrond.

Verkondigen

Het brood dat de Heer toebehoort mogen we eten en de beker die van Hem is mogen we drinken: ”Zo dikwijls gij dit brood eet en de drinkbeker drinkt, verkondigt gij de dood van de Heer, totdat Hij komt” (Vers 26). Bij dit verkondigen van de dood van de Heer praten we niet. Wij verkondigen (verklaren) Zijn dood, door te eten en te drinken. We zeggen daarmee dat Hij voor ons moest sterven. Wij hebben deel aan Hem. Daarom moeten we dit eten en drinken ook niet op een onwaardige wijze doen, maar onszelf steeds weer oordelen. Hoewel het om een maaltijd gaat, gaat het er niet om door het eten verzadigd te worden. Dat moeten we thuis maar doen. Door de daad van eten en drinken prediken wij de dood van de Heer. Hij is onze Heer. Hij heeft ons gekocht en daarom heeft Hij alles over ons persoonlijk te zeggen. En Hij moest sterven opdat wij zouden kunnen leven.

Aan wie verkondigen wij Zijn dood? Misschien aan de ongelovigen die in de zaal zitten, of aan onze kinderen die deze plaats nog niet praktisch innemen. Ook aan de engelen van God vertellen we zo zwijgend dat we bij de Heer horen en dat Hij voor ons wilde lijden en sterven. En aan de duivel en zijn demonen. En het is een verkondiging aan de wereld en aan andere gelovigen die aan deze dienst geen deelhebben.

En we doen het totdat Hij komt. Zolang we nog op deze aarde zijn, zijn we er nog niet. Het einddoel van ons leven is nog niet bereikt. Onze lichamen hebben nog geen deel aan de behoudenis. We mogen hier op aarde al aan de Heer Jezus denken, maar we zijn nog niet bij Hem. Maar eens komt de tijd dat tekenen niet meer nodig zijn. Hij komt ons halen, want Hij wil ons bij Zich hebben. Tot zolang duurt de verkondiging van Zijn dood.

De overige dingen

”De overige dingen zal ik ordenen als ik kom” (Vers 34). Hieruit kunnen we de konklusie trekken, dat hetgeen we over de maaltijd gelezen hebben in hoofdstuk 10 en 11 nog niet de gehele samenkomst omvat. Alles is nog niet uitgelegd en geregeld. Enkele andere dingen zou hij hun persoonlijk komen vertellen. God vond het niet nodig om die voor ons te bewaren of heeft ze ons in andere Brieven in het Woord meegedeeld. Ook voor ons is het zo dat met 1 Korinthe 10 en 11 niet alles gezegd is wat we op zondagmorgen doen. De priesterdienst die daar uitgeoefend wordt vinden we in de Eerste Brief van Petrus, in de Openbaring enz. Dat zullen de dingen zijn die hij geregeld heeft door persoonlijk naar Korinthe te komen. Je kunt niet alles in een Brief schrijven. Het is vaak nodig om de dingen persoonlijk, van mond tot mond, mee te delen.

Samenvatting van 1 Korinthe 11: 20-34

1.Het samenzijn op één plaats, om te eten, is niet vanzelf het eten van de maaltijd van de Heer (11: 20-22).

2.De Heer nam brood en beker: Mijn lichaam en Mijn bloed. Doen tot Zijn gedachtenis = Zijn dood verkondigen (11 :23-26).

3.Op onwaardige wijze eten en drinken = schuldig zijn aan Zijn lichaam en bloed. Daarom zelfbeproeving, anders oordeel, maar geen veroordeling met de wereld. Zijn we samen om te eten? Wacht dan op elkaar (11: 27).

E3 PRIESTERDIENST

Dit onderwerp isals volgt in te delen:

I Onze plaats bij God

II Priesters voor God

III Aanbidden in geest en waarheid

IV De offers

I ONZE PLAATS BIJ GOD

De Brief aan de Hebreeën laat ons zien, dat ieder die zich aan de Heer Jezus heeft toevertrouwd en vrede met God heeft, op drie verschillende plaatsen in de nabijheid van God en van Christus kan zijn:

a. In het heiligdom (10: 19)

b. Bij het altaar (13: 10)

c. Buiten de legerplaats (13:13)

a. In het heiligdom (Hebr. 10: 19)

”Daar wij dus, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan inhet heiligdom door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levendeweg die Hij ons heeft ingewijd door het voorhangsel heen, dat isZijn vlees, en wij een grote Priester over het huis van God hebben,laten wij naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof , de harten door besprenkeling gezuiverd van het kwaad geweten en het lichaam gewassen met rein water” (Hebr. 10: 19-22).

Het is een geweldig groot wonder, dat God ons bekwaam gemaakt heeft om in het heiligdom te kunnen zijn, in Zijn nabijheid. Het heiligdom is de plaats waar de troon van God staat, die voor ons geen oordeelstroon, maar een genadetroon is. Wij mogen met alle vrijmoedigheid naar God gaan om Hem te vertellen wat er in ons hart leeft: ”Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd” (Hebr. 4:16).

Symboliek

Om te begrijpen wat er met het heiligdom bedoeld wordt, is het nuttig om de vorige hoofdstukken uit de Brief aan de Hebreeën vanaf hoofdstuk 7 door te lezen. Deze hoofdstukken spreken over een verandering van het priesterschap, een verandering van wet, een nieuw en beter verbond, een grotere en volmaaktere tabernakel die niet van deze schepping is en de reiniging van de hemelse dingen door het offer van Christus.

De offers van de grote verzoendag voor het volk Israël in het Oude Testament (Leviticus 16) waren slechts bedoeld om zonden in herinnering te brengen (Hebr. 10: 3), zij konden geen zonden wegnemen. Maar het bloed van Christus reinigt ons geweten van de dode werken. Door Zichzelf te offeren heeft Hij voor altijd volmaakt, degenen die geheiligd worden.

De tabernakel die in het Oude Testament beschreven wordt is een tegenbeeld van de ware tabernakel, het heiligdom dat niet van deze schepping is. Die ware tabernakel is de hemel. Zo zijn de dingen die met de aardse tabernakel te maken hebben ook slechts zinnebeelden van de hemelse dingen. Mozes moest de tabernakel maken naar de afbeelding die hem op de berg getoond was (Hebr. 8: 5), omdat het te maken had met de dingen die God voor ons in Zijn hart had. De tabernakel die Mozes had opgericht dient als voorbeeld en schaduw van de hemelse dingen (Hebr. 8: 5).

Twee gedeelten

De tabernakel van Mozes bestond uit twee gedeelten. In het eerste gedeelte bevond zich de kandelaar en de tafel met de toonbroden. Dit gedeelte werd het Heilige genoemd. Daarna kwam er een gordijn, het tweede voorhangsel, waarachter zich het Heilige der heiligen bevond. Hierin stond volgens de Brief aan de Hebreeën een gouden wierookvat en de ark van het verbond. Het gouden wierookvat is het gouden altaar waarop wierook geofferd werd. Het hoort wat de geestelijke betekenis betreft bij het Heilige der heiligen, maar moest praktisch gezien in het Heilige staan omdat de weg tot het ware Heiligdom nog niet bekend was.

Toen de Heer Jezus stierf liet God het voorhangsel van de tempel, dat het Heilige der heiligen afsloot, van boven tot beneden in tweeën scheuren, om daarmee aan te geven dat er nu één groot Heiligdom is. Naar Gods gedachten is er geen eerste stuk meer.

Wettische gezindheid

Als mensen naast Christus voor hun heil of uit dankbaarheid ook nog aan allerlei wetten en geboden vasthouden, houdt voor hen de eerste tabernakel nog wel stand (Hebr. 9:8). Voor hen zijn er nog twee gedeelten in het heiligdom. Voor hen is daarmee het voorhangsel nog niet gescheurd. Dit is heel ernstig, want het voorhangsel is een beeld van het vlees van de Heer Jezus (Hebr. 10: 20). Dus de uiterste konsekwentie van het houden van wetten naast Christus is, dat Christus niet gestorven is. Wetten en geboden kunnen het geweten niet reinigen. Ze waren schaduwen van de komende dingen. Daarom is de apostel Paulus in de Brief aan de Galaten ook zo scherp tegen allen die naast Christus nog de wet willen houden. Dan is Christus tevergeefs gestorven. Dan is ook de weg tot het heiligdom, de plaats van de troon van God, onbekend.

Dan is er ook geen vrijmoedigheid om tot God te gaan met de zorgen of de dank, omdat het geweten in praktische zin niet gereinigd is. Het is de terugkeer naar een Oudtestamentische dienst, waarbij levieten, priesters en hogepriesters staan tussen God en het volk, terwijl God ons in Zijn Woord zegt dat iedere gelovige vandaag hoort bij het volk van God en tegelijkertijd priester is. Daarom heeft iedere ware gelovige nu principieel de toegang tot het heiligdom en de vrijmoedigheid om in te gaan.

De weg tot het heiligdom

Christus heeft de weg tot het heiligdom bekendgemaakt door Zijn sterven aan het kruis: het voorhangsel scheurde in tweeën, van boven naar beneden. Het gebeurde niet door mensenhanden. Christus offerde Zichzelf op het kruis. In Leviticus 16 lezen we over de hogepriester die éénmaal per jaar moest gaan in het Heilige der heiligen, met het bloed van een stier, dat hij offerde voor zichzelf en voor zijn huis. Hij ging door het voorhangsel heen en kwam bij de ark van het verbond, die spreekt van de tegenwoordigheid van God. Op de ark moest hij één keer van dit bloed sprenkelen en voor de ark zeven keer, maar de weg tot het heiligdom was voor het volk Israël onbekend. Dit is de schaduw.

De werkelijkheid heeft te maken met het bloed van de Heer Jezus. Hij ging in de kracht van Zijn eigen bloed in het heiligdom en heeft een eeuwige verlossing verworven. Het bloed van de Heer Jezus is voor ons de basis om te kunnen gaan in de hemel, het heiligdom waar God troont. De Heer Jezus ging ons voor. Door Zijn sterven, het scheuren van het voorhangsel, wijdde Hij de weg tot het heiligdom voor ons in. Nu hebben wij een nieuwe en levende weg. Nieuw, omdat de gelovigen van het Oude Testament leefden onder de schaduwen. Pas na het sterven van de Heer is de weg tot het heiligdom bekend geworden. Het is ook een levende weg, in tegenstelling tot de dode vormendienst. De weg heeft te maken met onze eeuwige verlossing en met een geweten dat gereinigd is van dode werken, om de levende God te dienen (Hebr. 9:14).

Als we bij God komen, komen we niet omdat we in onszelf waardig zijn, maar omdat Christus ons waardig gemaakt heeft, door Zijn bloed. Dan staan we in het heiligdom als het ware op een bodem die zeven maal besprenkeld is met bloed. Niet het bloed van een dier, maar het bloed van de Heer Jezus. Zijn bloed is de grondslag van onze vrijmoedigheid.

Onze Priester

Voor ons is het heiligdom de plaats waar God troont, de hemel. Maar het is ook de plaats waar de Heer Jezus nu is, gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge. Hij is daar de grote Priester over het huis van God. Wij zijn het huis van God (Hebr. 3:6). In de Brief aan de Hebreeën is sprake van slechts één Priester, terwijl de gelovigen het volk van God zijn, dat toegang heeft tot het heiligdom. Hierin overtreft de werkelijkheid alle beelden. Het priesterschap van de Heer Jezus is onveranderlijk. Het wordt niet op een ander overgedragen, zodat Hij volkomen kan behouden wie door Hem tot God naderen, daar Hij altijd leeft om voor hen tussenbeide te treden (Hebr. 7:25). Hij bedient als Priester het heiligdom en de ware tabernakel (Hebr. 8:2). Zijn priesterdienst in de hemel heeft volgens de Brief aan de Hebreeën niet te maken met zonden die gelovigen gedaan hebben, want daarvan zijn we eens voor altijd gereinigd. Zijn priesterdienst is juist het bewijs dat alles in orde is.

Wij hebben zijn dienst nodig voor onze reis door de woestijn, om niet ten val te komen. Dit is voor ons een extra aansporing om met een rein hart tot God te naderen.

Hoe naderen

Omdat wij door het bloed van de Heer Jezus vrijmoedigheid hebben om bij God te komen en omdat Hij daar voor ons tussenbeide treedt, worden wij aangespoord om tot God te naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, terwijl onze harten besprenkeld zijn en zo zijn gezuiverd van een kwaad geweten en onze lichamen gewassen zijn met rein water. Dit zijn toespelingen op de wijding van de zonen van Aäron tot priester. Door het werk van Christus kunnen we met een eerlijk geweten in alle werkelijkheid van de goddelijke reiniging bij God verschijnen, zonder angst voor oordeel of straf.

In de onderlinge bijeenkomst, die in vers 25 wordt genoemd, mogen we zo tot God naderen, maar daartoe is het naderen tot God natuurlijk niet beperkt. Wij zijn geschikt gemaakt om in de nabijheid van God te zijn en te allen tijde mogen we bij Hem komen, als we het doen met een waarachtig hart, in geloofsvertrouwen. Elke dag van ons leven mogen we tot God naderen voor het brengen van dank en aanbidding en voor het krijgen van barmhartigheid en genade op onze reis door de woestijn van deze wereld.

b.
Bij het altaar (Hebr. 13: 10)

” Wij hebben een altaar waarvan zij die de tabernakel dienen geenrecht hebben te eten? ” (Hebr. 13: 10).

Aan de gelovige Hebreeën werd gezegd, dat zij niet meer naar het altaar hoefden te gaan dat in de tempel in Jeruzalem stond. Daar vond nog steeds de offerdienst plaats, hoewel de Joden het ware Offer, de Heer Jezus, hebben veracht en verworpen. De gelovige Hebreeën worden opgeroepen om in hart en gedachten los te zijn van dit aardse altaar, omdat zij een veel belangrijker altaar hadden gekregen. Hun altaar is verbonden met Jezus Christus, Die gisteren en heden Dezelfde is en tot in eeuwigheid (vers 8). De natuurlijke godsdienst in Jeruzalem, door God oorspronkelijk ingesteld, is niet blijvend.

Spoedig na het ontvangen van deze Brief zou Jeruzalem, met de tempel, door de Romeinen vernietigd worden. Naar het woord van de Heer Jezus zou er van de tempel geen steen op de andere blijven staan (Matth. 24:2). De tempeldienst zou verdwijnen, maar de Heer Jezus blijft Dezelfde en Zijn offer behoudt eeuwige waarde.

Het hart gesterkt door genade

De tempeldienst was met de natuurlijke zintuigen verbonden. Men kon de prachtige gebouwen, het altaar en de offers zien. De priesters offerden bloed en vet dat zichtbaar was. Maar het altaar dat wij hebben is niet verbonden met natuurlijke spijzen. De spijs van het dankoffer dat een Israëliet mocht eten wees heen naar de geestelijke spijs die wij nu mogen eten. Die is verbonden met het hart, dat gesterkt moet worden door genade (vers 9). Zij die de tabernakel dienen, het systeem dat God oorspronkelijk had ingesteld ten zegen, hebben geen recht om te eten van het altaar dat de gelovige Hebreeën nu in hun hart bezitten, zo groot is de kloof tussen de oude vormen en het nieuwe leven in Christus.

Het altaar

Het altaar is de plaats waar de offers gebracht worden, waar we in het bijzonder herinnerd worden aan het lijden van de Heer Jezus op het kruis. Symbolisch gezien mogen wij bij het altaar denken aan het kruis, vanwaar de zegeningen van God vloeien naar allen die in geloof hun hand op het offer van Christus hebben gelegd.

Het altaar is ook de plaats waar we gemeenschap kunnen hebben met God door het eten van het offer. Daarom wordt hier gezegd, dat de gelovigen mogen eten van dit altaar. Wij mogen ons voeden met het Offer: Christus. En wij mogen ons de zegeningen die uit het kruis voortvloeien eigen maken, omdat ze ons deel zijn.

Als we als gemeente bij elkaar zijn om de dood van de Heer te verkondigen, mogen we deelnemen aan de tafel van de Heer. Dat wordt in 1 Kor. 10: 18 vergeleken met het altaar. Zij die de offers eten hebben gemeenschap met het altaar. Dus de tafel van de Heer, waar we de maaltijd van de Heer eten, is bij uitstek de plaats om te denken aan het lijden van de Heer Jezus op het kruis. Het is de plaats om geestelijke offers te brengen en geestelijke offers te eten.

Het altaar in de Brief aan de Hebreeën zal niet beperkt zijn tot de tafel van de Heer. Als we alleen in de zondagmorgensamenkomst aan de Heer Jezus zouden kunnen denken in Zijn lijden op het kruis, zouden we heel arme christenen zijn. Als we alleen op zondagmorgen aan onze God en Vader zouden vertellen wat we in de Heer Jezus hebben gevonden, zou Hij niet genoeg verheerlijkt worden. Natuurlijk is de samenkomst voor de breking van het brood de gelegenheid om dit te doen, maar niet de enige gelegenheid. Als we ons alleen met de Heer Jezus zouden voeden op zondagmorgen, zouden we babies blijven. Wij hebben een altaar, waar we altijd mogen komen. Altijd mogen wij offers aan God brengen. Altijd mogen we het werk van de Heer Jezus in gedachtenis houden en altijd mogen we ons voeden met het Offer. Wij hebben een altaar waarvan we altijd mogen eten, zodat ons hart gesterkt wordt door de geestelijke spijs die Gods genade ons geven wil.

Het dankoffer

Een Israëliet mocht een vrijwillig offer aan God brengen. Als het om een dankoffer ging, mocht hij het offer slachten voor de deur van de tent der samenkomst. De priesters sprengden dan het bloed rondom op het altaar en brachten het vet van het dier met de nieren op het altaar. Dat werd aangestoken als een vuuroffer, tot een lieflijke reuk voor de Heere (Lev. 3: 5). Dit noemt God Zijn spijs (Lev. 3:11, 16). Het vlees van het dankoffer mocht door iedere Israëliet die rein was gegeten worden. Dat is deelhebben aan het altaar. Wat een Israëliet van het dankoffer at, was altijd verbonden met het altaar, waarop het bloed, het vet en de nieren van het dier waren geofferd. Zo is er gemeenschap met het altaar en met God, want Hij ”eet” van het offer en de reine Israëliet eet van hetzelfde offer.

De spijs die voor God op het altaar komt is het bloed en vet van het offerdier. Beide mochten door leden van het volk van God niet gegeten worden. Het kwam in het vuur en steeg op tot een lieflijke reuk voor God. Het Offer is de Heer Jezus, Die Zich overgegeven heeft als een offergave en een slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk. Het altaar heeft te maken met de herinnering aan het werk van de Heer Jezus op het kruis, de plaats waar Hij gestorven is en waar Zijn bloed heeft gevloeid. Bloed en vet was voor God, want Hij alleen kan de waarde van het bloed en vet doorgronden. God wist wat de dood van de Heer Jezus inhield. Het vet is het beste van het dier, want het vertelt ons dat een dier werkelijk gezond is. Het spreekt van de energie van de wil waarmee de Heer Jezus Zich aan God offerde. God ontvangt het op het altaar, want Hij alleen weet wat de woorden van de Heer inhouden: ”Zie, Ik kom om uw wil te doen, o God” (Hebr. 10: 7).

God wenste dat de Israëlieten Hem die spijs vrijwillig zouden brengen, al mochten zij er niet van eten. God wenst ook dat wij Hem vertellen van de waarde van het bloed van Christus en van de energie waarmee Hij Zich heeft geofferd, al kunnen wij het niet doorgronden. Wij mogen eten van de rest van het Offer, als we rein zijn. Wij mogen ons voeden met de Heer Jezus en Zijn werk op het kruis.

Dat mogen we ook op zondagmorgen doen. Zo hebben wij gemeenschap met onze God. ”Onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon, Jezus Christus” (1 Joh. 1: 3). We mogen aan God offers brengen, waarin Hij Zich verheugt. We lezen in Hebr. 13: 15 dat het lofoffers genoemd wordt, offers die spontaan, uit dankbaarheid, uit ons hart opwellen. Wij mogen aan God iets vertellen over dat wat we bij de Heer Jezus hebben gevonden en tegen Hem zeggen: ”Uw Zoon is zo groot en het offer dat Hij volbracht heeft is zo geweldig, dat we niet in woorden kunnen uitdrukken wat U daarin waardeert”. Dan vindt God een plaats van rust in het midden van de Zijnen.

Een plaats van rust voor God

De Psalmen 132 tot 134 hebben te maken met onze samenkomst. Wat mij zo heeft getroffen is, dat daar staat dat God Zijn rust vindt in het midden van de gelovigen. David zocht een rustplaats voor de ark, een plaats waar God kon rusten in het midden van Zijn aardse volk. Nu wil de Heer graag een plaats van rust hebben in het midden van de Zijnen. Als de Heer Jezus bij ons is (de ark is een type van Hem), vindt Hij dan ook rust? Vindt God in het midden van de Zijnen werkelijk alles wat Hij op deze aarde vinden kan? Want in de wereld wordt God niet gewenst en de Heer Jezus is er verworpen. Voor Hem was er op aarde alleen een kruis en een graf. Maar God wil zo graag op deze aarde een plaats waar Hij kan rusten, in het midden van de Zijnen die Hem eren in de Heer Jezus en Zijn werk.

We denken in de bijeenkomst om brood te breken in het bijzonder aan de Heer Jezus, omdat we dan samenzijn tot Zijn gedachtenis. En we mogen, terwijl we aan Hem denken, aan God vertellen wat we in Hem hebben gevonden. God geniet ervan als we iets over de Heer Jezus aan Hem vertellen, hoewel Hij het wel wist. Hij wil zo graag dat wij gemeenschap met Hem hebben in het brengen van de spijs die op het altaar komt en opstijgt tot God. Maar ook wij mogen genieten van wat we in de Heer Jezus hebben gevonden, ook op zondagmorgen of zondagavond, als we samenkomen om brood te breken. Ja, altijd mogen we genieten van de Heer als wij geestelijke offers brengen aan God.

Tot elkaar spreken en in het hart zingen voor God

In Ef. 5: 19 staat dat wij tot elkaar spreken in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, zingend en jubelend in uw hart tot de Heer. Wij hebben nodig dat er een lied opgegeven wordt en hardop gezongen wordt, waardoor wij tot elkaar spreken, zodat onze harten nog warmer voor de Heer worden dan ze al waren. God wil ons door het gehoorde optrekken. Maar Hij heeft het gesproken woord niet nodig: Wij zingen en jubelen in ons hart tot de Heer.

In Kol. 3:16 staat dat we in onze harten zingen voor God. Opnieuw leren we hieruit dat God geen hardop uitgesproken woorden nodig heeft, omdat Hij in onze harten kijkt. Hij ziet wat daar aanwezig is. Hij ziet de dankbaarheid en de zang die er in ons hart is als we nadenken over de Heer Jezus. Maar voor elkaar is het wel nodig. Zo hebben we gemeenschap met elkaar. God waardeert het als we aan Hem iets over de Heer Jezus vertellen, maar we mogen ook zelf van Hem genieten. Dat is gemeenschap hebben.

c. Buiten de legerplaats (Hebr. 13:13)

”Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volkzou heiligen, buiten de poort geleden. Laten wij daarom tot Hemuitgaan buiten de legerplaats, terwijl wij Zijn smaad dragen. Wantwij hebben hier geen blijvende stad, maarwij zoeken detoekomstige. Laten wij, dan door Hem voortdurend een lofofferbrengen aan God, dat is de vrucht van de lippen die Zijn naambelijden. En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want inzulke offers heeft God een welbehagen” (Hebr. 13:12-16).

Waarom is er voor de gelovige Hebreeën nu een ander altaar dan vroeger? En waarom hebben de Joden die zich aan de oude vormen houden geenrecht om van dit altaar te eten? Omdat er een ander Offer is gebracht, dat door de wettische Joden niet geaccepteerd werd, maar dat God als het ware Offer ziet. Dit Offer is de Heer Jezus, Die Zichzelf gegeven heeft op het kruis.

Het offer van de grote verzoendag

In het Oude Testament is sprake van offers die maar één keer per jaar werden gebracht, op de grote verzoendag (Leviticus 16). Van de twee zondoffers die toen geslacht werden (een mannelijk jong rund en een geitenbok) moest het bloed gebracht worden in het Heilige der heiligen. Het werd gedragen door het voorhangsel heen en gesprenkeld op het verzoendeksel en voor het verzoendeksel. Het bloed werd door de hogepriester voor de zonde in het heiligdom gedragen (Hebr. 13: 11). De schuld van de priesters en het volk moest hierdoor inherinnering worden geroepen, terwijl het heiligdom door het bloed geheiligd werd.

Deze offers wijzen heen naar de drie uren van duisternis op het kruis, toen de Heer Jezus onze zonden droeg in Zijn lichaam op het hout (1 Petr. 2:24) en voor ons tot zonde werd gemaakt (2 Kor. 5:21). Dit werk hoeft niet elk jaar opnieuw te worden volbracht. Hij offerde Zichzelf eens voor altijd op het kruis en heeft een eeuwige verlossing voor ons verworven (Hebr. 9:12). De hogepriester bracht dit offer, wij hoeven het niet te brengen. Wij hoeven niet meer te denken aan de zonde en de schuld die we hadden, maar mogen nu lofoffers brengen aan God. In de Brief aan de Hebreeën worden de gelovigen gezien als mensen die voor altijd verlost zijn, omdat de Heer Jezus de reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht (Hebr. 1 :3). Hij is eenmaal, in de voleinding van de eeuwen, geopenbaard om de zonde af te schaffen door het slachtoffer van Zichzelf (Hebr. 9:26).

Verbranden buiten de legerplaats

Zoals het slachten van de dieren en het bloed van de zondoffers op de grote verzoendag heenwijzen naar Christus op het kruis, zo wijst ook de plaats waar de dieren verder verbrand werden heen naar de plaats waar Christus leed en stierf. Het zondoffer van de grote verzoendag mocht door niemand gegeten worden, maar moest uitgevoerd worden tot buiten de legerplaats. Daar werd het volkomen verbrand, met zijn vel, zijn vlees en zijn mest, door iemand in reine kleren. Dit toont ons hoe ernstig de zonde is, maar ook hoe heilig het offer.

Het spreekt tot ons hart dat dit toegepast wordt op de Heer Jezus: ”Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden” (Hebr. 13:12). Golgotha lag buiten de poort van Jeruzalem, waar het Joodse systeem onbekommerd werd voortgezet met een dode vormendienst. Christus werd buitengeworpen. Hij moest de smaad van het kruis ondergaan. Dit alles heeft Hij volbracht om het volk van God af te zonderen tot God en zo los te maken van wettische beginselen. Het bloed van Christus heeft ons voor altijd geheiligd, zodat we niet in onszelf maar door Zijn werk bekwaam zijn om te komen bij ons altaar, om daar de lofoffers te brengen die God zo graag ziet.

Uitgaan

Dan komt de oproep om uit te gaan naar deze derde plaats: ”Laten wij daarom tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, terwijl wij Zijn smaad dragen” (Hebr. 13:13). De gelovige Hebreeën moesten uitgaan uit het toen bekende Jodendom, dat zijn aanspraak op de tegenwoordigheid van God verloren had, omdat zij Hem door hun daden hadden uitgeworpen. De gelovige Joden moesten zich niet blijven vastklemmen aan de tempel in Jeruzalem, want die zou verdwijnen. En ze moesten zich ook niet blijven vastklemmen aan offers en offerdiensten in Jeruzalem, want die zagen alleen maar heen naar het ware Offer, de Heer Jezus.

Wij moeten ons vandaag ook niet vastklemmen aan allerlei uiterlijke vormen, wetten of geboden als middel tot zaligheid of voor dankbaarheid, maar uitgaan buiten de legerplaats. We kunnen het woord legerplaats wel ”vertalen” met die plaats waar het naamchristendom regeert, waar mensen wel bijeenkomen voor godsdienstige dingen, maar waar ze allerlei eigen regels hebben opgesteld. Een plaats die door God niet meer erkend kan worden omdat de zonde er een plaats gevonden heeft. Daarom spande Mozes een tent buiten het leger van Israël, waar het gouden kalf had gestaan. Het was een plaats, ver van het leger afwijkende en de tent werd tent der samenkomst genoemd. Ieder die de Heere zocht ging uit buiten het leger, tot de tent der samenkomst (Ex. 33:7).

Wij gaan niet naar de tent der samenkomst, een gebouw of iets dergelijks, maar naar de Heer Jezus. Hij is de Mens Die Zijn leven voor ons heeft willen geven. Alleen buiten de legerplaats is het mogelijk om werkelijk afgezonderd van allerlei wetten en geboden, allerlei menselijke regels, Hem te eren en te dienen. Wij gaan niet buiten de legerplaats om met andere gelovigen niets te maken te hebben. Integendeel, ieder die de Heer zoekt gaat uit de legerplaats tot Hem. Hij is het verzamelpunt. Niet alleen op zondagmorgen of zondagmiddag als Gods Geest dat zo leidt. Niet alleen in de week op Bijbelbespreking of bidstond, waar God onze harten zo warm kan maken dat wij ook dan tot aanbidding komen, maar ook buiten de samenkomsten. Altijd mogen wij tot Hem uitgaan.

Bij de Heer Jezus

Wij zijn niet afgezonderd om negatieve zaken, maar om bij de Heer te zijn. Dat is positief. Dit hoort ook in het samenkomen zo te zijn. Zijn we dan op die plaats waar de Heer Jezus ook Zelf met blijdschap kan zijn en waar Hij volgens Psalm 22 de lofzang kan aanheffen? Die plaats is er en wij kunnen daar zijn. Verwerkelijken we dat, dan is ons hart gelukkig omdat we Hem kennen. Dan kunnen we ook buiten de samenkomsten bij Hem zijn, buiten de legerplaats.

Het hemelse Jeruzalem

De gelovige Hebreeën worden opgeroepen om zich niet vast te klemmen aan Jeruzalem en de aardse tempel (Vers 14). Wij zoeken immers niet de aardse stad, maar wij zoeken de toekomstige stad, waarvan God ontwerper en bouwmeester is. De plaats waar in de toekomst van het vrederijk God werkelijk zal worden geëerd en verheerlijkt. Wij zoeken naar het hemelse Jeruzalem. Dat richt onze blik naar boven. Laat ons hart toch niet bezig zijn met de dingen van deze wereld, maar met de dingen die met Jezus Christus te maken hebben en met Zijn toekomst. Wat we nu in de wereld, ook de godsdienstige wereld, zien gaat voorbij. Het enige dat waarde heeft in deze tijd zijn de dingen die we voor God mogen doen, met het hoofd omhoog gericht.

Lofoffers brengen

Laten we dan nu door Hem voortdurend, niet alleen op zondagmorgen, een lofoffer brengen aan God (Vers 15). Als we op zondagmorgen bij elkaar zijn mogen we lofoffers brengen, want we zijn bij elkaar om heel in het bijzonder aan de Heer Jezus te denken. We kunnen het brengen van lofoffers echter niet beperken tot de samenkomst. Laten we voortdurend een lofoffer brengen aan God. Dit lofoffer is geen offerdier, zoals in het Oude Testament, maar de vrucht van de lippen die Zijn naam belijden. Het heeft te maken met dat wat uit ons hart voortkomt. Wij mogen God vertellen over alles wat we bij de Heer Jezus gevonden hebben. Alleen ware belijders kunnen ware lofoffers brengen, omdat het te maken heeft met het lijden en sterven van de Heer Jezus op het kruis.

Nog twee andere offers

”En vergeet de weldadigheid en mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welbehagen” (Hebr. 13:16). Dit betekent dat we ook aan de arme medegelovigen zullen denken, aan wie we weldadigheid doen of aan wie we meedelen van wat wij bezitten. En dat we aan broeders en zusters denken die een dienst voor de Heer mogen doen. We doen het van harte, als voor de Heer en niet voor mensen. Daarom wordt het ook een offer genoemd. Offers brengen we niet aan mensen, maar aan God. Hoe belangrijk deze offers zijn blijkt uit de toevoeging: ”Want in zulke offers heeft God een welbehagen”. Daarom sprak de apostel Paulus na het ontvangen van een gave over een welriekende reuk, een aangenaam, God welbehaaglijk offer (Fil. 4:18).

Weldadigheid en mededeelzaamheid is ook niet beperkt tot de kollekties die in de bijeenkomsten worden gehouden en soms zo genoemd worden, hoewel die erbij ingesloten zullen zijn. Ook buiten de samenkomsten om moet er in ons hart liefde zijn voor arme medegelovigen. Misschien kunnen we zusters die al jarenlang weduwe zijn eens bezoeken en helpen met een behangetje of boodschappen doen voor oude gelovigen die niet meer goed ter been zijn. Ook dat hoort bij weldadigheid, het hoeft echt niet tot geld beperkt te blijven. En we dienen er de Heer mee.

IIPRIESTERS VOOR GOD

Tot Wie u komt, tot een levende steen, door mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus” (1 Petr. 2:4,5).

Een kind van God hoeft niet meer bezig te zijn met de traditionele wandel die door de (kerk)vaderen is overgeleverd, want hij is daarvan verlost door het kostbare bloed van Christus (1 Petr. 1: 18, 19). Door Hem geloven wij in God en hebben aan Hem voldoende. Tot Hem mogen wij komen. Eerst om leven te ontvangen en daarna om gevoed te worden. Niet ieder mens wil tot Hem komen, want Hij is de levende steen die door de mensen is verworpen. Bij God is deze Steen echter uitverkoren en kostbaar. Hij is de Grondslag en Bron voor een geestelijk huis. Dat geestelijke huis is nu niet de tabernakel of tempel waarin de priesters gingen om er offers te brengen, maar het bestaat uit geloven die elk voor zich een levende steen zijn. Als levende stenen worden wij geplaatst in dit huis dat geestelijk wordt genoemd. Wij horen als ware gelovigen van welke kerk of kring ook bij dit ene geestelijke huis. Alleen daar kan God geestelijk worden gediend. Daarom wordt er ook onmiddellijk aan toegevoegd dat dit geestelijke huis een geestelijke funktie heeft: het is bedoeld als een heilig priesterdom.

Beelden

Zoals de tabernakel en priesterdienst bij elkaar hoorden, zo horen het geestelijke huis en het heilige priesterdom bij eikaar. De tabernakel is een beeld van de gelovigen. Zij mogen de verschillende heerlijkheden van de Heer Jezus vertonen en hooghouden. De gemeente is de pilaar en grondslag van de Waarheid (1 Tim. 3: 15). Het priesterschap van de zonen van Aäron is een beeld van het algemene priesterschap van iedere gelovige. In het Oude Testament waren tabernakel en priesterschap praktisch gesproken twee verschillende zaken al hoorden ze bij elkaar. De tabernakel was van levenloos materiaal en de priesters kwamen alleen uit de familie van Aäron, uit de stam van Levi. Petrus laat ons zien dat beide beelden zijn van één christelijke gemeenschap. Het geestelijke huis bestaat niet uit dode materialen, maar uit levende stenen, die tegelijkertijd samen een heilig priesterdom vormen. Alle gelovigen samen vormen dit priesterdom, niet een kleine bevoorrechte klasse.

Het verschil met de Brief aan de Hebreeën is dat we daar de plaatsen zien waar wij tot God kunnen naderen in de hemel of op aarde, terwijl in 1 Petrus wordt getoond wie wij zijn en wat wij doen.

Waarom een heilig priesterdom?

Alle uit onvergankelijk zaad wedergeborenen mogen komen tot de Heer Jezus om het geestelijke huis en het heilige priesterdom te vormen. Zij zijn afgezonderd van de wereld tot God om offers te brengen. Nu geen dier dat geslacht wordt. meel dat genomen wordt of reukwerk dat gebracht wordt in het heiligdom, maar geestelijke offers. De Oudtestamentische offers zijn hierin beelden van de geestelijke offers die wij door Christus aan God mogen brengen. Reukwerk is een beeld van de persoonlijke heerlijkheden van de Heer Jezus. Meelbloem wijst naar Zijn volmaakte Mensheid, terwijl de offerdieren heenwijzen naar de Heer Jezus Die voor God en ons leed enstierf aan het kruis. Hij en Zijn werk zijn de basis om de geestelijke offers te brengen die God waardeert, omdat ze uit ons hart komen. Wij mogen ze elke dag van ons leven aan God offeren, persoonlijk en genieenschappelijk.

Vooral in de bijeenkomst om brood te breken

In het bijzonder mogen wij geestelijke offers brengen als we rondom de Heer Jezus samenzijn om brood te breken. Wij zijn dan bijeen tot Zijn gedachtenis. God wil zo graag dat wij aan Hem denken in Zijn lijden op het kruis. Maar laten we opnieuw bedenken dat offers niet aan mensen worden gebracht. maar aan God. Als een broeder op zondagmorgen een dankzegging uitspreekt is dat niet om te laten zien hoe welsprekend hij is of hoeveel hij van de Bijbel wewt. Het gaat om eenoffer aan God, aangenaam voor God door Jeztis Christus. De Heiland wil door de Heilige Geest ons hart verwarmen, opdat wij ook in staat zijn om in ons hart die offers te brengen die God waardeert. Broeders én zusters kunnen deze offers brengen. al mogen in de samenkonist alleen de broeders hardop een leidende dienst uitoefenen, hardop iets uitspreken, een lied opgeven of iets voorlezen. Het offer is datgene wat God in ons hart ziet enniet altijd dat wat over de lippen van een broeder komt. Daarom draait het iii de bijeenkomst ook niet om een muziekinstrument, vierstemmig zingen of andere uiterlijke dingen, hoewel vals zingen endergelijke onze geestelijke aandacht wel kunnen afleiden.

Hem zij de heerlijkheid

Wij brengen offers aan de drieënige God. de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Ook mogen we offers brengen aan de Vader. En het Boek de Openbaring vertelt ons dat wij ook de Zoon mogen aanbidden en verheerlijken: ”Hem die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft verlost door Zijn bloed, en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid. Amen” (Openb. 1 :5, 6). Zie ook 5: 8, 12, 13, 14.

Jezus Christus is de Eerstgeborene van de doden die ons liefheeft. Spontaan mag uit onze harten de lofprijzing opstijgen tot Zijn eer en tot eer van Zijn God en Vader, bij het zien van zoveel liefde. Wie is Hij toch die dit voor ons overhad? Er was bij ons niets aanwezig dat Zijn liefde kon opwekken, want er waren alleen maar zonden, waarvoor Hij gestraft moest worden. Maar Hij verloste ons daarvan door Zijn bloed. Hij maakt ons samen tot koningen die straks over de aarde zullen regeren en tot priesters die Zijn God en Vader nu en tot in eeuwigheid mogen dienen. Daarom komen wij met de profeet tot de uitroep: ”Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid! Amen”.

III AANBIDDEN IN GEEST EN WAARHEID

Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders deVader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vaderzoekt zulke personen die Hem aanbidden. God is een geest en wieHem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid”(Joh. 4:23, 24).

Een samaritaanse vrouw komt bij de Heer Jezus en Hij legt haar hele leven bloot. Zo leert ze zichzelf zien in het licht van God. Ze was altijd hunkerende geweest naar rust en had daarom godsdienstige behoeften. Doordat haar hart nu is ontdekt door de Heer ontdekt zij dat Hij een profeet moet zijn en komt tot Hem met een brandende vraag die haar sterk heeft beziggehouden: ”Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en u zegt dat in Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden” (Joh. 4:20). Ze wil met haar geopende geweten naar God toe. De Heiland van de wereld zegt dan niet: Je bent een onreine vrouw, je hebt in zonde geleefd, dat kan Ikje niet vertellen. Nee, Hij weet dat Hij haar geweten getroffen heeft toen Hij haar de zonde van haar leven toonde en Hij vertelt haar op de halfgestelde vraag dat de Samaritanen eigenlijk niet weten waar men aanbidden moet. want het heil is uit de Joden. Jeruzalem was de plaats die de Heere God had uitgekozen omZijn naam daar te doen wonen,niet Samaria. Samaria kon bogen op oude tradities. Jeruzalem op nog oudere, van God gegeven tradities. maar de Heiland van de wereld werd door de wereld verworpen. Daarom was het uur, de periode, gekomen dat de Vader zou worden aangebeden in geest en waarheid. Niet op een geografische plaats, want ook Jeruzalem zou door God verworpen worden. Het gaat niet meer om de vraag waar men moet aanbidden. niaar hoe men moet aanbidden en wie dit kunnen doen.

Hoe aanbidden?

De Heer Jezus zegt dat wij de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid endat wij God zullen aanbidden in geest en waarheid. In Jeruzalem waren vele aanbidders, niaar de Heer spreekt hier over ware aanbidders. Dat zijn zij die een nieuw leven van God hebben gekregen. InJohannes 3 laat de Heer Jezus zien dat de nieuwe geboorte te makenheeft niet een heel nieuwe bron: geboren uit water en Geest. De woorden die Hij tot de vrouw sprak waren geest en leven. Zijn Woord heeft in het hart van de vrouw de erkenning gewekt vaneigen onmacht en schuld tegenover God. Zijn wij werkelijk zover gebracht, dan wekt de Heilige Geest terzelfdertijd eennieuw leven. Daarvan zegt de Heer: ”Wat uit de Geest geboren is, is geest” (Joh. 3:6). Het vlees blijft bij een opnieuw geborene onveranderd. Het is ongeschikt om God te aanbidden. Vandaar dat de eer vanhet godsdienstige vlees voor God geen waarde heeft, wantalleen het nieuwe leven is bekwaam om God te eren. Daarom moetde ware aanbidder metniet zijn vlees God aanbidden, maar ingeest en waarheid.

De Vader moet op eengeestelijke wijze worden aangebeden. Er is geenenkele andere vorm van aanbidding die voor God waarde heeft. Orgelspel, het branden van kaarsen of wierook, een bepaalde lichamelijke houding. meditatie of wat dan ook is geen aanbidding. Mensen zijn gevoelig voor uiterlijke dingen, maar God is een Geest. Daarom moet de aanbidding plaats vinden in geest en waarheid.

De Heer Jezus sprak: ”Als u in Mijn woord blijft, bent u waarlijk Mijn discipelen en u zult de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken” (Joh. 8:31, 32). De waarheid noemt zonde werkelijk zonde. Voor ware aanbidding is vrijheid van de zondemacht nodig. Dan staat het hart oprecht tegenover God. De Heer Jezus is in de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen (Joh. 18:37). Hij houdt aan de mens zijn ware beeld voor ogen. En Hij laat ons tevens zien dat het vlees nooit te vertrouwen is. Daarom moeten we ons in elk detail van ons leven door Hem laten leiden, want de Vader wil niet dat wij huichelen en ons vromer voordoen dan we zijn. Gemeenschap met de Vader is alleen dan mogelijk als er niets tussen Hem en ons instaat. Is er toch een zonde in ons leven, dan moeten wij die belijden. Als wij onze zonden belijden, God is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid (1 Joh. 1: 9). Dan kunnen we in waarheid aanbidden.

God is een Geest. Daarom is het noodzakelijk om te aanbidden in geest en waarheid, op gepaste wijze, met eerbied en ontzag. En de Vader zoekt zulke aanbidders. Zijn hart gaat naar hen uit omdat hun hart naar Hem uitgaat. Houdt zoeken ook in dat er maar weinig ware aanbidders zijn? Aanbidden is naderen tot God om Hem te eren in alles wat Hij in Wezen is. Hij is de eeuwige Vader die de Zijnen bij Zich wil hebben. Vaak schieten woorden hierbij tekort. Als de verheerlijkte hemelse heiligen in de volmaakte hemelse rust aanbidden doen zij dit ook zwijgend (Openb. 5: 14).

IV DE OFFERS

We hebben gezien dat in de Brief aan de Hebreeën, in 1 Petrus en in de Openbaring gesproken wordt over het heiligdom, het altaar, offers die we brengen en over priesters. Dat heeft een speciale bedoeling. Het staat in Brieven aan Israëlieten die weet hadden van de offers in het Oude Testament en de priesterdienst. En in een Boek, geschreven nadat het christendom al jaren bestond, zodat de gelovigen hadden kunnen leren wat het altaar en het priesterschap betekende. De offers in het Oude Testament en alles wat met de offers in het Oude Testament te maken had, kunnen ons iets vertellen over wat wij als priesters mogen doen in het heiligdom, bij het altaar en buiten de legerplaats.

Drie vrijwillige offers

We willen daarom even onze aandacht richten op drie verschillende offers in het Boek Leviticus. Het Nieuwe Testament toont ons dat we deze offers geestelijk mogen bekijken. Het gaat nu niet meer om de letterlijke offers die het volk Israël bracht, want het boek Leviticus is geschreven voor ons op wie de einden van de eeuwen gekomen zijn, opdat wij er iets uit kunnen leren over het werk en de Persoon van de Heer Jezus.

Het Boek Leviticus begint met drie vrijwillige offers die aan God gebracht worden: in hoofdstuk één brandoffers, in hoofdstuk twee spijsoffers en in hoofdstuk drie dankoffers. Alle drie vormen kon een Israëliet vrijwillig brengen, maar hij moest zich wel houden aan de voorschriften die God daarbij gegeven had. In hoofdstuk vier en vijf is ook sprake van offers: schuldoffers en zondoffers. Maar daar gaat het niet om wat een Israëliet vrijwillig bracht, als hij dat in zijn hart kreeg, maar om offers die gebracht moesten worden als hij gezondigd had. Een belangrijk iemand, een hogepriester, uit het volk Israël die had gezondigd moest een groot offer brengen. Iemand uit het volk moest een kleiner offer brengen. God heeft daarvoor nauwkeurige voorschriften gegeven. Geestelijk gezien handelt het daar over een gelovige die zondigt. Hij is onrein geworden door de zonde, zodat er geen gemeenschap kan zijn met de Vader. Opdat de gemeenschap weer hersteld zal worden moet hij zijn schuld belijden en eraan denken dat de Heer Jezus voor die zonde heeft moeten sterven. Maar deze offers brengen we niet in de samenkomst waarin we aan de Heer Jezus willen denken in Zijn lijden en sterven op het kruis, hoewel ze in het Oude Testament wel naar de tabernakel werden gebracht.

In de dienst bij de Heer Jezus worden vrijwillige offers gebracht, terwijl het offer voor de zonde verplicht was. De eerste drie offers in Leviticus 1 tot 3 zijn vrijwillige offers en hebben in het bijzonder te maken met de eredienst in de samenkomst om brood te breken. Dit wordt bevestigd door Leviticus 17, waar elk dier dat tijdens de woestijnreis van het volk Israël geslacht werd om gegeten te worden, gebracht werd naar de Heere, aan de deur van de tent der samenkomst, tot de priester. Het werd als een dankoffer geslacht, waarbij het bloed werd gesprenkeld aan het altaar en het vet werd geofferd op het altaar. In het land gebiedt God Zijn volk om de vrijwillige offers te brengen voor Zijn aangezicht, om ze te eten in de plaats die de Heere verkiezen zou: Deutr. 12 : 6, 11, 13,18,26,27.

Brandoffers

In Leviticus 1 gaat het om een brandoffer. God bepaalde wat voor offerdier het moest zijn. De offeraar moest het offer van tevoren bekijken. In huis moest hij er zich al mee bezighouden en erover nadenken. Het offer moest volkomen zijn, volmaakt. Dat kon men niet onderweg naar het heiligdom nog wel gauw even bekijken. Nee, ze moesten zich thuis al bezighouden met het offer dat ze gingen brengen. God vertelt verderop in Leviticus dat zo’n dier niet te lang mocht zijn van ledematen of te kort. Het mocht geen schurft hebben en een zieke plek op de huid enz. Ze moesten dus goed kijken naar zo’n offerdier. God wil niet dat we verkeerd denken over de Heer Jezus. Hij was in Zijn wandel volkomen en Zijn handelingen stemden overeen met Zijn innerlijk. Het dier moest éénjarig zijn en een mannetje. De Heer ging in mannelijke kracht Zijn weg naar het kruis en werd afgesneden uit het land van de levenden in de kracht van Zijn leven, in het midden van Zijn jaren. Hij is niet van uitputting gestorven. Hij riep met luider stem en gaf de geest.

Wij mogen thuis al aan Hem denken, voordat we naar de samenkomst gaan. Wij moeten daar thuis, voordat we naar de bijeenkomst gaan, al mee bezig zijn. Als we daarna komen met onze offers, met onze vrijwillige offers, dan moeten die geofferd worden zoals God het wil. Wij mogen tegen God zeggen dat de Heer Jezus zo groot en zo heerlijk voor Hem is. Alles bij de Heer Jezus is volkomen en dat zeggen we aan God.

De Israëliet mocht het offerdier nemen en zelf slachten, maar de priester nam daarna het bloed en sprenkelde het op het altaar. De priester nam vervolgens het vet en bracht dat op het altaar, terwijl hij ook het vlees op het altaar legde. Geen enkele Israëliet mocht eten van het brandoffer. Het was helemaal voor God. Het brandoffer vertelt ons van het werk van de Heer Jezus. Van het werk dat Hij gedaan heeft op het kruis van Golgotha in de drie uren dat het licht was en in de drie uren dat het duister was. Hij heeft Zich vlekkeloos aan God opgeofferd, omdat Hij God wilde verheerlijken. Bij het brandoffer gaat het niet om het werk van de Heer Jezus voor de zonde, maar om het werk dat Hij gedaan heeft tot verheerlijking van God in Zijn leven op aarde en in Zijn sterven op het kruis. In het bijzonder in Zijn sterven op het kruis. ’Vader, Ik heb het werk voleindigd dat U mij gegeven had om te doen’. ’Ik heb U verheerlijkt op de aarde’.

Iemand uit het volk van God bracht dit offer en wij, die ook bij het volk van God horen, mogen zo’n geestelijk offer brengen. Het offer moest in zijn delen verdeeld worden. De stukken van het offer werden uiteengelegd, zodat ook de binnenkant van het offerdier zichtbaar werd. Zo mogen wij dat wat de Heer Jezus innerlijk bewogen heeft voor onze God brengen. Broeders en zusters mogen dit doen, want het gaat om de dingen die in het hart zijn en niet om dat wat een broeder hardop uitspreekt. Het wordt heel algemeen gezegd, want wij kunnen niet doorgronden wat God in de Heer Jezus heeft gevonden, hoewel wij enkele dingen van Zijn innerlijk mogen bewonderen en aan God mogen brengen. Hij deed altijd de wil van Zijn Vader. Hij is gehoorzaam geworden tot de dood aan het kruis. Wat wij van Hem gezien hebben mogen we zo voor God neerleggen. Maar Hem werkelijk waarderen tot in het diepst van Zijn werk op het kruis kunnen wij niet. Dat kan God alleen. Daarom at geen enkele Israëliet van dit offer en werd het geheel op het altaar verbrand.

Een priester nam de stukken die de offeraar had neergelegd en bracht ze op het altaar. Geestelijk gezien zijn we allen priesters (1 Petrus 2) die mogen naderen tot het altaar om daarop het offer in zijn verschillende delen neer te leggen. Maar in de praktijk oefenen we lang niet altijd die priesterdienst uit. De priesters in het Oude Testament waren onderscheiden van het volk van God. Nu zijn wij allen priesters en leden van het volk van God, maar geestelijk gezien moeten we bij de priesters in het Oude Testament denken aan de gelovigen die gewend zijn om in de tegenwoordigheid van God te verkeren, in het heiligdom. Die niet bang zijn voor God maar weten dat het werk van de Heer Jezus volkomen is, zodat zij met hun hele hart met God kunnen spreken over de Persoon die voor het hart van God zo kostbaar is. Die mogen dat wat zij en anderen bij de Heer Jezus gezien hebben leggen op het altaar. De reuk van het offer stijgt op tot God. God zegt dat het een lieflijke reuk is. Het vet dat op het altaar wordt gebracht, ook van andere offers, noemt God Zijn spijze. Alleen God is in staat om tot in de diepste diepte te beoordelen Wie de Heer Jezus is, ook in Zijn sterven op het kruis.

Spijsoffers

In Leviticus 2 gaat het om spijsoffers. Die werden gemaakt van meelbloem en op verschillende manieren verwerkt. Sommige koeken werden gelegd op de kookplaat, andere werden in de oven gebakken. Hoewel verschillend van model en bereidingswijze, het gaat altijd om een spijsoffer van meelbloem, dat aan God werd geofferd. Door de meelbloem moest soms olie worden geroerd, soms ook werd de olie bovenop de koeken gestreken. Ook dit mocht iedere reine Israëliet aan God brengen. En God vertelt zelfs dat een spijsoffer en een brandoffer altijd bij elkaar horen. Als we denken aan de Heer Jezus en Zijn lijden op het kruis kunnen we dat niet losmaken van Zijn leven op deze aarde. Daarvan spreekt het spijsoffer. De Heer Jezus was in alles wat Hij deed en dacht volmaakt. Het ging om fijn meelbloem, waarin geen enkele ongerechtigheid voorkwam. En het werd met olie vermengd. Olie is in de Schrift een beeld van de Heilige Geest in zalvende kracht. In de zevenarmige kandelaar van de tabernakel werd olie gedaan opdat er licht zou zijn in de tabernakel. Alleen de Heilige Geest kan licht geven in het heiligdom. De olie werd door de meelbloem gemengd. De Heer Jezus werd geboren uit de Heilige Geest. De Heilige Geest en de kracht van de Allerhoogste zou Maria overschaduwen en het Heilige dat uit haar geboren zou worden zou Zoon van God genoemd worden. De Heer Jezus was waarachtig Mens. De offeraar kon het meelbloem door zijn vingers laten glijden en dan zag hij dat er geen ongerechtigheden in zaten. Zo is het leven van de Heer Jezus volkomen geweest en volledig doortrokken van de kracht van de Heilige Geest. Hij deed alles in de kracht van Gods Geest. Hij deed nooit iets wat God niet wilde. Altijd liet Hij Zich leiden door de Geest van God. En de vladen waren ook met olie bestreken. Toen de Heer Jezus Zich door de Heilige Geest liet voeren naar de woestijn om door de duivel verzocht te worden werd Hij beproefd, maar kwam door kracht van de Geest van God als Overwinnaar te voorschijn. Hij was in heel Zijn leven gehoorzaam aan Zijn God, geleid door de Geest van God. Als we op zondagmorgen bij God mogen zijn en Hem mogen vertellen hoe de Heer Jezus was in Zijn leven op aarde, dan vindt Hij daarin Zijn welgevallen, hoewel Hij het wist. Maar Hij wil met ons gemeenschap hebben en hoort zo graag dat Zijn kinderen met blijdschap spreken over de Heer Jezus, in zijn leven op aarde.

Van dit offer werd een handvol genomen en op het altaar gebracht, voor God. Met het spijsoffer was wierook verbonden. Dat werd geheel op het altaar geofferd. Wierook spreekt van alle innerlijke heerlijkheden die bij de Heer Jezus te vinden zijn. Een priester nam dat en offerde het aan God. leder van ons die gewend is om in Gods nabijheid te zijn, kan dit offer brengen op het altaar. Hij mag aan God vertellen hoe heerlijk de Heer Jezus is geweest in Zijn innerlijke motieven en in Zijn wandel door deze wereld. Hij heeft God verheerlijkt in Zijn leven op aarde. Woorden kunnen zo slecht weergeven wat de bedoeling is, maar hopelijk weten we allen uit ervaring wat het is om offers te brengen aan God, door Hem te vertellen hoe de Heer Jezus was in Zijn leven en sterven op het kruis. De handvol meelbloem werd op het altaar geofferd. Het altaar staat in verbinding met het kruis en de tafel van de Heer. Op het kruis straalde de volmaakte mensheid van de Heer Jezus.

Ons hart mag zo vol zijn van de Heer Jezus dat we niet kunnen nalaten om het aan de tafel van de Heer ook aan onze God te zeggen. Dat kan zwijgend. God ziet het hart aan. Maar God kan een broeder gebruiken om deze dingen ook hardop uit te spreken. Laten we de ernst van dit offer overdenken en als broeders niet zomaar opspringen om een gebed uit te spreken. We moeten ons door Gods Geest laten leiden en zeker weten dat de Heilige Geest ook werkelijk wil dat het gebed dat er in ons hart is hardop uitgesproken zal worden. We mogen niet opstaan om te danken of een lied opgeven omdat het al zolang stil is geweest. We moeten wachten op dat wat God door Zijn Geest wil werken in het midden van de Zijnen, opdat dat naar voren komt wat Hij wil en werkt in de harten, ook in de harten van de zusters. Door snel een lied op te geven dat de Heilige Geest niet wilde kunnen we broeders en zusters die aan de Heer Jezus denken in de war brengen. Vandaar dat het zo belangrijk is om op Hem te wachten. Vandaar dat ook de stiltes nodig zijn om in ons hart offers te kunnen brengen aan God. Door liederen, dankzeggingen en Schriftgedeelten kunnen we dichter tot de Heer Jezus worden gebracht en er meer toe gebracht worden om de offers van ons hart te brengen.

Van het spijsoffer mocht de priester eten. Een handvol werd geofferd aan God, de rest werd gegeten in het heiligdom door priesters die rein waren. Dus wij mogen ook genieten van wat de Heer Jezus in Zijn leven op deze aarde is geweest. Juist daarom werd Hij Mens, opdat wij Hem zouden kunnen begrijpen en volgen. En Hij werd Mens om te kunnen sterven voor mensen. Wonderheerlijke Heer!

Dankoffers

In Leviticus 3 gaat het om een dankoffer. Bij het dankoffer mogen we ons heel in het bijzonder voeden met de Heer Jezus. Met de gestorven Heiland. Een lid van het volk van God bracht het dankoffer vrijwillig aan God. Wij mogen aan onze God vertellen wat we bij de Heer Jezus hebben gevonden. Maar denkt u dat ons hart leeg wordt als het aan God over de Heer Jezus vertelt? God krijgt liet vet van het offer, wat spreekt over de energie van de wil van de Heer, waarmee Hij Zich aan God heeft opgeofferd. En God krijgt het bloed van het offer. God kent de waarde van het bloed van de Heer Jezus. En als Hij het bloed ziet is Hij bevredigd en zal Hij niet oordelen. Maar onze harten blijven niet koud als wij God deze dingen brengen. Het dankoffer mocht door iedere Israëliet gegeten worden als hij rein was. De priester die het offer aan God bracht kreeg zijn deel en de offerende Israëliet kreeg zijn deel en elke andere Israëliet mocht van dit offer eten. Het spreekt van gemeenschap met God. Volgens het Nieuwe Testament zijn wij allen priesters, maar zijn we ook allen gewend om bij God te verkeren? Bij het altaar en in het heiligdom? Zulke priesters kregen de rechterschouder van het offerdier. Zij mogen zich bezighouden met de kracht waarmee de Heer Jezus het werk op het kruis heeft volbracht. Hoe Hij dit deed in Goddelijke kracht.

ledere gelovige mag bezig zijn met het werk dat de Heer Jezus heeft volbracht. Wij mogen ervan genieten aan de tafel van de Heer, bij het altaar van Jahweh. Wij zullen van de Heer genieten als we bij Hem komen met harten die vol zijn van Hem.

Deze drie offers mogen we brengen aan God door Christus Jezus, onze Heer. En onder de leiding van de Geest van God, als we rondom Hem vergaderd zijn om aan Hem te denken. In Hebreeën 13 zagen we dat we voortdurend een lofoffer mogen brengen aan God, niet alleen in de samenkomsten. Het lofoffer is een dankoffer. Het dankoffer kon op drie verschillende manieren worden gebracht: als lofoffer, als gelofteoffer, wanneer iemand een belofte aan God had gedaan en als vrijwillig offer. Bij alle drie mocht een Israëliet van dit offer eten. Wij mogen ons voeden met de Heer Jezus die voor ons wilde sterven aan het kruis. Altijd! We mogen bezig zijn met Hem die zo groot en zo heerlijk is in Zijn leven en in Zijn sterven op het kruis. En de Heer Jezus maakt de aanbidding van de Vader los van een bepaalde geografische plaats om de nadruk te leggen op aanbidding in geest en waarheid. Dat kan ook in de binnenkamer (Johannes 4).

Op zondagmorgen zijn we samen om aan de Heer Jezus te denken in zijn lijden en sterven. Dan mogen we samen als een heilig priesterschap offers brengen aan God en eten van het dankoffer. Misschien is daar een broeder of zuster met een hart dat niet zo warm is voor de Heer, omdat er zonde is geweest die hij of zij natuurlijk veroordeeld heeft en aan God heeft gezegd voor het gaan naar de samenkomst, maar die het hart bedroefd gemaakt heeft. Misschien komt er tijdens de bijeenkomst een verkeerde gedachte op, want onze gedachten wijken zo gemakkelijk af. Die belijden we dan aan God, maar het hart is verdrietig. Of ons hart is niet warm voor de Heer omdat we voor de bijeenkomst geen tijd hadden om met Hem bezig te zijn. Toch wil de Heilige Geest ons samen ertoe brengen warm te zijn of te worden voor de Heer. Hij wil ons allen ertoe brengen om de offers van lof en dank te brengen. Anderen die wel vol zijn van de Heer kunnen ons door Gods Geest verwarmen. We mogen samen zijn aan de tafel van de Heer waar Hij het Middelpunt is, waar we bij Hem mogen zijn. Daar vindt Hij Zijn rust. Daar vindt God Zijn rust, bij het offer, bij het altaar en in het heiligdom. Daar mogen wij ons laten leiden door de Geest van God.

Er zijn niet veel teksten in het Nieuwe Testament die ons spreken over de leiding van de Heilige Geest in de samenkomsten. Maar we voelen wel aan dat de richtlijnen van 1 Korinthe 12 en 14 ook hier van belang zijn. Wat er ook aan geestelijke dingen gebeurt, het moet gebeuren door de Heilige Geest. Juist in de bijeenkomsten waar we belijden rondom de Heer Jezus samen te zijn. Gods Geest kan in het hart van een zuster een dankzegging werken die ze in haar hart aan God mag brengen, maar die ze niet hardop mag uitspreken omdat God die plaats niet aan zusters gegeven heeft (1 Tim. 2). God kan broeders gebruiken om uit te spreken wat in hun hart en dat van anderen aanwezig is. Zusters zijn in de samenkomsten niet passief in die zin dat ze geen aanbidding aan God kunnen brengen. Het gaat om het hart dat Zich door de Geest van God laat leiden naar de Heer Jezus en Zijn werk. Zusters moeten niet denken: de broeders zullen het wel doen. God wil allen brengen tot dank en het brengen van lofoffers, al spreken slechts enkele broeders iets hardop uit. Wij zijn allen priesters en verantwoordelijk voor God. Ook de broeders en zusters die niet hardop spreken. Samen mogen we de offers brengen aan onze God, hoewel de vrouwen zwijgen in de gemeenten (1 Kor. 14). Het is hun niet vergund te spreken, wat ook inhoudt dat ze niet hardop mogen bidden of zelfs maar een vraag stellen. Als ze een vraag willen stellen laten ze dat hun eigen mannen thuis vragen. En als ze geen man hebben, laten ze dan naar een broeder toegaan die hun vertrouwen heeft. Zijn ze nog jong, dan kunnen ze het hun vader thuis vragen. De plaats die God aan zusters gegeven heeft is de plaats van onderdanigheid, ook in de bijeenkomsten. Hardop mogen ze in de bijeenkomst geen leiding nemen want die plaats geeft 1 Korinthe 11 aan de mannen. Wel mogen ze hardop amen zeggen. Maar zouden zusters om deze andere plaats die ze hebben minder offers aan God kunnen brengen? Natuurlijk niet. Met het hart brengen we offers aan God. Het gaat om de geestelijke gevoelens van het hart die God graag ziet. Vandaar dat het zo ontzaggelijk belangrijk is dat broeders en zusters zich werkelijk laten leiden door de Heilige Geest. Maar God ziet het hart aan.

Terug naar document-overzicht
Dit artikel wordt u aangeboden door Het BijbelArchief.
Mocht u vragen en/of opmerkingen hebben over dit artikel kunt u contact opnemen met de aanbieder.

The Davidic Covenant in Acts-Revelation

Lees meer

Openbaring 15 & 16

Lees meer

Waarom Baptisten geen Protestanten zijn.

Lees meer

Nehemia 06

Lees meer

Ontstaan van de Islam

Lees meer