Het Pascha

Het Pascha en de doortochten door de Rode Zee en de rivier de Jordaan.

Als we de geschiedenis van het volk Israël doorlezen in de boeken van Mozes dan komen we achtereenvolgens het Pascha en de doortochten door de Rode Zee en de Jordaan tegen. Deze 3 geschiedenissen spreken alle drie over een verschillend aspect van het kruis van Christus. Het lijden, sterven en de opstanding van Christus is het centrale thema van Gods Woord. Zo lezen we bijvoorbeeld in de geschiedenis van de verheerlijking op de berg, dat Mozes en Elia over Zijn uitgang, d.w.z. Zijn kruisdood, spraken. Alle offers wijzen naar Zijn dood, vele o.t. profeten en geschiedenissen spreken van Hem evenals vele Psalmen etc. Hieronder zullen we de bovengenoemde 3 geschiedenissen kort bespreken en de belangrijkste verschillen aangeven.

Het Pascha

Het Pascha is één van de mooiste typen of beelden van het kruis in het o.t. Het Pascha (betekenis = voorbijgaan) spreekt van het lijden en sterven van Christus. We kunnen dit lezen in 1 Corinthe 5:7 waar staat: “want ook ons paaslam is geslacht: Christus”. Het belangrijkste aspect van het Pascha is de verzoening met God. Om aan het oordeel van God te ontkomen moest men een lam slachten en het bloed, dat spreekt van verzoening, strijken aan de posten van de deuren en de bovendorpel. Als de Here dit bloed zag zou hij het huis voorbijgaan en zou de eerstgeborene van mens en dier in leven blijven. Zo geldt voor ons, dat Gods oordeel ons niet zal treffen als we “schuilen” achter het kostbare bloed van Christus. Er was voor de Israëlieten maar één manier om te ontkomen aan het komende oordeel, nl. het woord van God gehoorzamen. Voor ons als n.t. gelovigen is dit niet anders!

Vanuit menselijk oogpunt gezien was de opdracht bloed aan de deurposten te strijken een vreemde opdracht, maar waar het om ging was dat het de manier was waarop God wilde dat men zou handelen. Zo kunnen wij onze gedachten hebben over de manier waarop we verlost kunnen worden, maar dat is totaal niet relevant. Voor ons moet bepalend zijn wat Gods Woord zegt over verzoening en verlossing.

Als men alleen had geluisterd naar de opdracht om het bloed aan de deurposten te strijken, maar dit niet daadwerkelijk gedaan had dan zou de Here tóch geoordeeld hebben. Dit is belangrijk, ook voor ons. We kunnen wel gehoord hebben en verstandelijk weten dat Christus onze Verlosser wil zijn, maar we moeten ook de volgende stap zetten en onze zonden belijden en Hem aannemen als onze Heiland. We moeten komen én drinken. We moeten Hem kennen als het Levende Brood, dat uit de hemel is neergedaald én we moeten dit Brood eten. De Israëliet die gezondigd had in het o.t. kon wel een offer brengen, maar hij moest óók zijn hand op de kop van het dier leggen, om zijn zonden symbolisch over te dragen op het onschuldige dier. Hij moest zich vereenzelvigen met het dier en erkennen dat het onschuldige dier in zíjn plaats zou sterven.

Ik kan me voorstellen dat de Israëlieten heel verschillend hebben gereageerd nadat ze het bloed aan de deurposten en de bovendorpel hadden gestreken.

Waarschijnlijk waren er mensen die rustig en vol vertrouwen hebben gewacht tot de Here was voorbijgegaan. Er zullen ook mensen zijn geweest, die angstig en gespannen hebben afgewacht of de Here inderdaad voorbij zou gaan. Ditzelfde zien we ook om ons heen. Er zijn christenen die de zekerheid hebben dat ze gered zijn en die weten dat Christus’ offer meer dan voldoende is om al hun zonden te vergeven. Er zijn ook mensen die telkens weer twijfelen aan hun behoud. Dan is het belangrijk om te beseffen dat onze redding niet afhangt van hoe wij ons voelen of wat wij ervaren. Onze redding is uitsluitend afhankelijk van Christus’ offer en ons gelovig aanvaarden van dat volmaakte offer.

Ex. 12:4 “Maar indien een gezin te klein is voor een stuk kleinvee”. Een gezin kon te klein zijn, het lam was groot genoeg. Als een gezin te klein was voor een lam (als ze het niet samen konden opeten), moesten ze de buren uitnodigen. Voor ons geldt dat de waarde van Christus’ offer zo ver gaat dat het meer dan voldoende is voor ieder mens, die met berouw tot Hem komt. Nooit zal Hij iemand afwijzen. Al zijn onze zonden nog zo groot, Zijn liefde, genade en vergeving zijn altijd groter! Nog meer aspecten wijzen op Christus’ offer, zoals de bittere kruiden, de botten die niet gebroken mochten worden, het lam dat zonder enig gebrek moest zijn, de dag en het tijdstip waarop het Pascha moest worden gevierd, het omgord zijn, wat spreekt van het gereed zijn om te vertrekken, etc. Aangezien deze geschiedenis vrij bekend is zullen we het hierbij laten.

De doortocht door de Rode Zee

De doortocht door de Rode Zee spreekt ook van het kruis van Christus, maar hier komt het aspect van de verlossing meer op de voorgrond. Verlossing van de vijand, nl. Farao en zijn leger. Het volk van Israël bevond zich, vanuit menselijke optiek gezien, in een hopeloze situatie. Vóór zich had men de Rode Zee aan weerskanten de woestijn en achter hen kwam Farao aanstormen met zijn leger. Ze zaten, althans zo leek het, hopeloos in de val. Men kon zichzelf niet verlossen. Maar het volk Israël is het volk van God. En voor Hem is niets onmogelijk! De Heer gaf Mozes de opdracht zijn staf op te heffen, zijn hand uit te strekken en zo de zee te splijten. Vervolgens liep het volk op het drooggevallen deel naar de overkant van de zee. Nadat men de Rode Zee was doorgegaan strekte Mozes zijn hand weer over de zee uit waarna de wateren terugvloeiden. De soldaten van Farao, die het volk achterna gegaan waren, kwamen om in de golven. We zien dat God Zijn volk verloste uit de hand van Farao en wel op een manier die wij nooit zo bedacht zouden hebben. Het volk stond nu aan de overzijde van de zee, was verlost van de vijand en men kón niet eens meer terug. De doortocht door de Rode Zee stelt de dood en opstanding van Christus voor waardoor wij verlost zijn, uit de macht van de wereld en van satan. Men had Egypte en de vijand achter zich gelaten. Wij weten dat het kruis ons volkomen verlost heeft van onze vijand, de duivel. De overste van deze wereld is nog steeds een vijand, maar wel een verslagen vijand. We zijn nu verloste mensen. Nu weten we ook dat satan nog rond gaat als een briesende leeuw, maar, zoals Corrie ten Boom eens zei: “hij ligt aan de ketting”. Het oordeel is over satan geveld, maar het vonnis moet nog worden voltrokken. Dit zal plaatsvinden ná het duizendjarig vrederijk, zie Openbaringen 20:7 e.v. Aan ons wordt in de Jacobusbrief (4:7) de opdracht gegeven hem te weerstaan, want dan zal hij van ons vlieden. We moeten satan nooit onderschatten, dat zou een grote fout zijn, hij heeft veel macht. Hij kan zich voordoen als een engel des lichts of als een brullende leeuw, daarom moeten we altijd waakzaam zijn en dicht bij onze Herder blijven. Aan de andere kant mogen we zeker weten dat Christus over alle machten en overheden heeft getriomfeerd aan het kruis, Hebr. 2:14 e.v.!

Het volk Israël kón niet meer terug toen de golven het pad door de zee weer overdekten. Zo mag ook iedere gelovige weten, dat hij voor eeuwig is gered. Gods Woord zegt  “wie de Zoon heeft, heeft het leven” (1Joh. 5:12). Of  “opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft”. (Joh. 3:16) Dit eeuwige leven is niet alleen iets voor de toekomst, het eeuwige leven is voor christenen al begonnen en zal nooit meer eindigen! Dat is wat Gods Woord ons leert. Zoals een geboorte nooit meer ongedaan gemaakt kan worden, zo kan ook de wedergeboorte nooit ongedaan worden gemaakt. We kunnen nog wel zondigen, dat is wat Johannes ook schrijft in 1Joh.1:10 e.v. “ Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en zijn Woord is in ons niet. Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige”.  We weten, dat we een voorspraak bij de Vader hebben. Zelfs als we zondigen, wat natuurlijk niet goed is, tóch blijft Hij onze Vader en wij blijven Zijn kinderen! Christus pleit voor ons en wij moeten onze zonden belijden om de relatie met de Vader te herstellen. Paulus schrijft aan de Fillippenzen (1:6):  “Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus”. Dat wat God is begonnen maakt Hij af, het is Zijn belofte en Hij is getrouw.

In Exodus 14:14 staat “De Heere zal voor u strijden en gij zult stil zijn”. De Heere streed en het volk ontkwam. Zo heeft de Here Jezus voor ons de overwinning op Golgotha behaald. Het leek alsof het volk Israël hopeloos in de val zat, maar de Heere verloste hen. Zo leek de kruisdood van de Here Jezus een nederlaag, maar door Zijn opstanding werd het de grootste overwinning aller tijden!

De doortocht door de Jordaan

De derde geschiedenis die spreekt van het kruis van Christus is de geschiedenis uit Jozua 4 en 5. Het volk had geschuild achter het bloed en was verzoend met God door het Pascha. Daarna was men door de Rode Zee gegaan en verlost van de vijand. Nu stond men aan de grens van het beloofde land. Het land vloeiende van melk en honing. Om dit land binnen te gaan moest men de rivier de Jordaan oversteken.

Het grote verschil met de doortocht door de Rode Zee is dat het volk Israël toen verlost werd van de vijand, terwijl bij de doortocht door de Jordaan men de vijand juist tegemoet ging. Bij de Rode Zee valt de nadruk op verlossing en bij de Jordaan op de voorbereiding op de komende strijd in het beloofde land. Een ander verschil is, dat de doortocht door de Rode Zee onder de leiding van Mozes plaatsvond, terwijl bij de oversteek door de Jordaan Jozua de leider van het volk was. Zowel Mozes als Jozua zijn typen van de Here Jezus. Mozes was de middelaar tussen het volk en God. Mozes was een beeld van de Here Jezus, Die het volk verlost van de vijand. Jozua is een beeld van de Here Jezus, Die Zijn volk voorgaat in de strijd. In Exodus 17 zien we zowel Jozua als Mozes. Mozes is degene die op de berg zijn handen opheft naar God en Jozua voert het volk aan in de strijd tegen Amalek. Hier is Mozes een type van de Here Jezus als onze Voorspraak bij de Vader.


In de woestijn had het volk Israël verschillende ervaringen opgedaan. “Al de woorden die de HERE gesproken heeft zullen wij doen” (Ex.24:3) hadden ze uitgeroepen, maar voordat Mozes de berg was afgedaald met de 2 stenen tafelen hadden ze hun belofte al verbroken. Gedurende hun 40 jarige omzwerving door de woestijn was telkens gebleken dat ze niet op zichzelf moesten vertrouwen, maar uitsluitend op God. Nu, voordat ze het beloofde land in zouden trekken, moesten ze de les leren van de doortocht door de Jordaan.

Wij als n.t. gelovigen zijn ook verzoend (Pascha) met God en verlost (Rode Zee) van onze vijand. Ook als n.t. gelovigen moeten we, in overdrachtelijke zin, het beloofde land ingaan. We gaan niet letterlijk het land in, maar we kunnen in ons dagelijks leven wel de overvloed en de overwinning ervaren die de Here voor ons heeft bereid, dan moeten we echter wel eerst door onze  “Jordaan”.

De priesters onder de Israëlieten moesten met de ark midden in de Jordaan blijven staan, totdat het gehele volk was overgetrokken. Het water hoopte zich op, zodat ze op het droge konden oversteken. Nadat het volk de rivier was doorgetrokken moesten er 12 stenen uit de rivier worden gehaald, waarvan een monument in Gilgal werd gemaakt. Van 12 andere stenen maakte men een monument in het midden van de rivier. Dit gedenkteken werd overstroomd door het water, nadat de priesters weer uit de Jordaan waren opgeklommen.

De betekenis voor ons is dat wij, als we de overvloed en de overwinning in ons leven daadwerkelijk willen ervaren, dagelijks moeten beseffen dat we mét Christus zijn gestorven, opgewekt en gezet in de hemelse gewesten. Dat is onze positie en we moeten elke dag leren te leven vanuit deze positie. Dat betekent dat we het diepe besef moeten hebben, dat we het zelf écht niet kunnen, maar dat wij met Christus meer dan overwinnaars zijn. “Ik vermag alle dingen in Hem die mij kracht geeft”. De ark ging als eerste de Jordaan in, daarna volgde het hele volk. Nadat het volk was doorgetrokken verlieten de priesters de plek in het midden van de rivier en gingen zij ook naar de overzijde van de rivier. Dit spreekt van Christus, die voor ons is gestorven (de ark in de Jordaan) en wij, elke christen, mét Hem. De ark aan de overzijde van de Jordaan op het droge spreekt van Christus, die de dood heeft overwonnen, en wij mét Hem. Dit moeten we geloven en er vervolgens uit leven. De 12 stenen in de Jordaan en de andere 12 stenen op het droge in de legerplaats waren een gedenkteken van wat God had gedaan. Zo moet ons leven, persoonlijk, maar ook als gemeente, een getuigenis zijn van datgene wat Hij in ons leven heeft gedaan. Het hele volk, alle twaalf stammen, was door de Jordaan getrokken, daarvan spraken de 12 stenen, zo is ook iedere christen met Christus gestorven én opgewekt.

Wat in Jozua 4 en 5 wordt beschreven vinden we in het n.t. terug in Efeze 1 en 2. De Israëlieten zouden “overal waar zij hun voet zetten” (Jozua 1:3) het beloofde land verkrijgen. Zo mogen wij als gelovigen alle geestelijke zegeningen ons toe-eigenen door in het geloof a.h.w. onze voet erop te zetten. Maar dit kunnen we pas doen, als we ons dagelijkse realiseren dat we met Christus zijn gestorven én opgewekt. Dat we met Hem gezet zijn in de hemelse gewesten. Om behouden te worden moeten we geloven dat Christus voor onze zonden heeft geleden, is gestorven en opgestaan, maar om te leven als christen moeten we óók beseffen dat we uitsluitend in Zijn kracht het nieuwe leven kunnen openbaren. In beide gevallen moeten we erkennen, dat we het zelf niet kunnen: nóch onze behoudenis tot stand brengen, nóch leven als behouden mensen. De Chinese broeder Watchman Nee schrijft over het leven van een gelovige in zijn boekje “Zitten, wandelen, standhouden”, dat we moeten beginnen te beseffen wat onze positie in Christus is en hoe rijk we in Hem zijn gezegend (Ef. 1 tot 3:21). Daarna moeten we gaan wandelen vanuit deze positie (Ef. 4 tot 6:9). In onze handel en wandel moet zichtbaar worden dat we verloste mensen zijn. Tenslotte, zo gaat hij verder, moeten we leren stand te houden (Ef. 6:10/24).
 
Verder moeten we ons, net als het volk Israël, laten besnijden. We moeten. het vlees (daarvan spreekt de voorhuid) wegdoen. Dat betekent het afleggen van onze eigen begeerten en de nieuwe mens aandoen. We moeten geheel anders zijn, want we hebben Christus leren kennen. Deze oproep om af te leggen en om aan te doen vinden we telkens weer terug in de brieven van Paulus. Zie bijvoorbeeld: Ef. 4:22 e.v., Coll. 3:8 e.v.

Tot slot lezen we over de voeding van het volk Israël, het Pascha, het manna, het geroosterde koren en het ongezuurde brood. Deze zaken spreken allemaal van Christus. Als n.t. gelovigen moeten wij ons ook dagelijks “voeden” met Christus en Zijn Woord. “Zo vaak uw woorden gevonden werden, at ik ze op, uw woord was mij tot vreugde en blijdschap mijns harten” (Jer. 15:16).

Nadat het volk Israël met de ark in het midden van de Jordaan en met de ark weer aan de overzijde aan land was gegaan, nadat zij zich hadden besneden en zich hadden gevoed met het goede voedsel, had het volk geleerd hoe zij het land moesten ingaan en op welke wijze ze moesten strijden om het land in bezit te nemen. Helaas faalde het volk al weer snel toen ze Ai wilden veroveren. Ook wij zullen falen, als we niet strijden in afhankelijkheid en overgave aan God. Maar het is óók waar dat we Gods rijke zegen zullen ervaren als we de lessen van het Pascha, de doortocht door de Rode Zee en door de Jordaan ter harte nemen.

De Here Jezus heeft gezegd, dat Hij is gekomen “opdat zij leven hebben en overvloed”.  Te genieten als christen van de overvloed die Hij wil geven zou dus een normale situatie voor elke christen moeten zijn. Overvloed wil niet zeggen dat het ons in materieel opzicht goed gaat, dat kan, maar hoeft niet. Het betekent ook niet  dat we geen problemen zullen ondervinden in ons leven. Soms lijkt het tegendeel juist het geval. We moeten de lessen uit het o.t. ter harte nemen, wij zijn niet beter dan het volk Israël. De geschiedenissen zijn opgeschreven tot “voorbeeld en ter waarschuwing voor ons”. (1 Cor. 10:11).

Overvloed wil zeggen dat we ons mogen verzadigen met Zijn beeld in alle situaties van het leven. Verzadigen betekent dat we ons vullen, tot we volledig voldaan zijn en genieten van datgene waarmee we ons hebben gevoed. We hebben dan ook geen behoefte meer aan iets anders. Bij Abraham vinden we dit bijvoorbeeld terug. God was zó kostbaar voor hem geworden, dat hij zelfs bereid was zijn geliefde zoon Isaac te offeren. Ook bij Mefiboseth komen we dit tegen, het was Mefiboseth genoeg bij de koning te zijn, materiele zaken deden er niet meer toe. (2 Sam. 19:30). Psalm 16:2 “ik heb geen goed buiten U”.

Dat ook u en ik evenals Paulus zullen leren genoegen te nemen met de omstandigheden waarin we verkeren (Fil. 4:11), omdat we weten dat we alles vermogen in Hem (Fill. 4:13) en omdat we geloven dat Hij in al onze behoeften heerlijk zal voorzien in Christus Jezus (Fil. 4:19).

 

 

Terug naar document-overzicht
Dit artikel wordt u aangeboden door Stoelinga.
Mocht u vragen en/of opmerkingen hebben over dit artikel kunt u contact opnemen met de aanbieder.

Het plan voor wereldmacht

Lees meer

Waarom Baptisten geen Protestanten zijn.

Lees meer

De staf van Aaron

Lees meer

Barmhartigheid

Lees meer

Alternatieve genezing

Lees meer